Wij zoeken naar wat beweging kan brengen

Iedereen die betrokken is, krijgt de kans om te spreken. Iedereen kan en mag iets doen

De Vlaamse jeugdhulp zit dit jaar extra in op positieve heroriëntering; er is een uitbreiding voorzien die 270 gezinnen extra ondersteunt. Een pionier is het Oranjehuis, dat zeven jaar geleden al het Columbusproject uit de grond stampte. Coördinator Hilde Baert was er vanaf het prille begin bij betrokken.

U werkt nu zeven jaar voor het Columbusproject. Hoe kwam u hier terecht?

Hilde Baert: “Na mijn studies deed ik mijn eerste werkervaringen op in het OCMW van Waregem. Enkele maanden later kreeg ik een job aangeboden bij het Justitieel Welzijnswerk. Daar werkte ik vooral rond de relatie tussen gedetineerden en hun kinderen of andere belangrijke mensen uit hun omgeving.”

“Dat heb ik tien jaar met hart en ziel gedaan. Maar toen begon de opstart van het strategisch plan voor gedetineerden, met een grote focus op opleiding en zeer weinig aandacht voor wat, volgens mij, het belangrijkste is: de relaties van mensen in detentie. De basisgedachte is niet slecht natuurlijk: met een attest of diploma kom je sterker de samenleving weer in. Maar er waren te weinig middelen voor de essentie; het herstellen van de verbinding met jezelf en wie je dierbaar is. Gedetineerden hebben meestal veel kwetsuren. Vaak is er een diepe breuk met familie en omgeving. Ik wilde dus vooral werken rond relaties en verbinding, maar dat werd, met de intrede van het strategisch plan, eerder bijzaak. Ik kon me daar moeilijk mee verzoenen en ben er uiteindelijk mee gestopt. Dit heb ik als zeer moeilijk ervaren. Ik wou dit erg graag blijven doen. Ik voel een ongelofelijke drive om te vechten tegen onrecht. Hoe moeilijker de situatie waarin mensen belanden, hoe meer het me triggert om er 500 procent voor te gaan.”

“Ik heb dan gesolliciteerd bij het Oranjehuis, waar toen een vacature voor een contextbegeleider was. Ik kreeg een telefoontje: proficiat, je hebt een job. Dit bleek dus niet de job waarvoor ik gesolliciteerd had. Ze zagen me eerder van start gaan bij het Columbusexperiment, al moest dat toen nog opstarten. Ik kreeg de kans om pionierswerk te doen en heb geen seconde getwijfeld.”

Wat sprak u destijds zo aan in dat experiment?

Baert: “Ik ben tijdens mijn werk in de gevangenis vaak gefrustreerd geweest door een enorme onrechtvaardigheid in de hulpverlening allerhande: de wachtlijsten. Mensen worden daarop geparkeerd terwijl hulpverleners vaak zelf goed weten dat de hulp er niet zal komen, wegens meer vraag dan aanbod. Dat is geen hulpverlening. Daarnaast ben ik er rotsvast van overtuigd dat mensen krachtige wezens zijn. Soms verliezen ze die kracht door moeilijkheden of door bestaande onrechtvaardige structuren. En soms hebben ze iemand nodig om hen de weg te wijzen. Het is een valkuil om als hulpverlener mensen dingen uit handen te nemen. Hulpverlening is een verhaal en een waarheid. Mensen hebben ook een verhaal en een waarheid. Bij Columbus gaan we, vanuit dat diepe geloof in het kunnen van mensen, samen op zoek naar mogelijkheden en kansen. Wij proberen te voorkomen dat gezinnen in de bijzondere jeugdzorg terechtkomen aan de hand van de methode en visie van positieve heroriëntering.”

Hoe verloopt dat concreet?

Baert: “Wanneer hulpverleners (van de Centra voor Leerlingenbegeleiding bijvoorbeeld, of van de Centra Algemeen Welzijnswerk) verontrust zijn over de situatie van een jongere en zijn gezin, als ze vastlopen in hun traject en vrezen dat ze moeten doorverwijzen naar een Ondersteuningscentrum Jeugdzorg (OCJ), dan kunnen ze bij ons terecht. Dat begint met een telefoontje waarbij we samen vanuit de bril van positieve heroriëntering mogelijkheden zoeken. Een hulpverlener die zich hiervoor openstelt, ziet hierdoor vaak nieuwe perspectieven en kan zelf terug aan de slag. Soms blijkt uit verschillende gesprekken dat de inzet van de module Contextbegeleiding in functie van positieve heroriëntering goed geplaatst is. Daarmee proberen we de situatie te deblokkeren, te kijken hoe een gezin en zijn betrokkenen de zaken weer in handen kunnen nemen.”

“De aanmelder is van cruciaal belang voor een goeie opstart. Hij introduceert ons in het gezin, legt zijn verontrusting op tafel vanuit zijn geloof in het gezin en vanuit een grote betrokkenheid. Na de introductie praten we met alle betrokkenen apart: begrijpen ze de verontrusting van de hulpverlener, hoe ervaren zij dat zelf. Deze vraag draait om feiten: waarover gaat het precies. We kijken naar het hier en nu zonder terug te grijpen naar het verleden. Deze vraag hoopt mensen grip te laten krijgen op hun eigen zorgen en dus niet te verdrinken in de problemen. Vervolgens peilen we naar hoe ze zich hierbij voelen. Hier ligt de beweging. Wat mensen roert, zet hen in gang. We vragen naar hun verlangens, naar hun drive. Waar willen mensen voor gaan? Waar kunnen ze verantwoordelijkheid voor opnemen? Waarvoor willen ze zich engageren? Zo’n eerste gesprek zet als het ware een intern reflectieproces op gang – al klinkt dat complexer dan het is en is dit zeker geen urenlang gesprek. Integendeel. Het is belangrijk om te focussen. Dat vraagt een open geest en de wil om echt te luisteren, los van oordelen en oplossingen.”

We focussen niet op het spijbelgedrag van een jongere, maar wel op existentiële zaken. Wil ik blijven leven, ben ik een goede moeder, waar willen wij als gezin naartoe? We gaan voor de zelfregulatie van een gezin

“Wanneer alles ‘veilig’ is en iedereen met elkaar door één deur kan, zetten we de betrokkenen samen voor een eerste cirkelgesprek. Dat is het begin van de dialoog over de thema’s die tijdens het eerste gesprek aan bod komen. Zo komt er hopelijk weer een ontmoeting tot stand, een vorm van wederzijds begrip. Het is de bedoeling dat mensen elkaar terugvinden in het hier en nu, niet in het beeld dat ze van elkaar hebben. En daarbij gaan we tot de kern: we focussen niet op het spijbelgedrag van een jongere, maar wel op existentiële zaken. Wil ik blijven leven, ben ik een goede moeder, waar willen wij als gezin naartoe?  … We gaan voor de zelfregulatie van een gezin.”

Zijn er nog andere betrokkenen dan ouders en kinderen?

Baert: “Dat kan zeker, maar dat bepalen wij niet. Tijdens de gesprekken horen we soms dat er bijvoorbeeld nog een oma betrokken is, of de school. Dat kan ver gaan, tot aan lokale besturen. Stel dat een jongere problemen heeft met drugs, maar op het pleintje in de buurt wordt openlijk drugs gebruikt… dan is dat toch niet alleen de verantwoordelijkheid van de ouders en de jongere zelf? Of neem nu een hulpverlener die beoordelend blijft kijken naar een ouder omwille van wat ooit jaren geleden misliep. Daar kan je niet omheen. Ook dat moet op tafel komen. Een positieve heroriëntering is niet alleen een zoektocht met gezinnen. Het vraagt een authentiek spreken met iedereen die betrokken is en verantwoordelijkheid heeft. Het is belangrijk om ook constant je eigen handelen in vraag te stellen. Als je alleen op de jongere en zijn gezin focust, zie je maar een deel van de werkelijkheid.”

Hoe zou u positieve heroriëntering definiëren?

Baert: “Beweging proberen brengen in wat vastgelopen is, kansen zien waar iedereen het allang heeft opgegeven. Dezelfde realiteit met andere ogen bekijken. Voor mij is het niet alleen een vorm van hulpverlening, het is een manier van leven geworden. Dit klinkt misschien heel fout en hippie-achtig, maar voor mij betekent het dat ik authentiek mijn werk mag doen, dat ik mag werken vanuit liefde. Dan gaan er zoveel deuren open. De mogelijkheden zijn oneindig.”

Zijn de meeste gezinnen enthousiast om aan zo’n traject te beginnen?

Baert: “Niet altijd. Al gebeurt het wel altijd vrijwillig. Wat dan weer niet gelijkstaat aan vrijblijvend. Op dit moment werk ik samen met een gezin waarvan de zoon drugs gebruikt. Als vader en zoon daar niet uitkomen, en het verbale en fysieke geweld blijven aanhouden, dan is misschien toch het kader van een OCJ of jeugdrechtbank nodig. Al beslissen wij daar nooit zelf over. Maar we leggen altijd heel eerlijk alle kaarten op tafel: dit is de situatie, wat denken jullie ervan, hoe kunnen we dit verder aanpakken? Samen met het gezin en de aanmelder.”

En werkt het ook? Hebben jullie veel succesverhalen?

Baert: “Het hangt er maar vanaf hoe je het bekijkt. Ik kan zeggen dat er bij onze hulpverleners ongelooflijk veel enthousiasme is om vanuit deze visie te werken. Het is fantastisch om met het existentiële bezig te mogen zijn, om tot de kern te gaan. Dit werk is een deel van ons leven. En dat enthousiasme straalt ook af op gezinnen en andere hulpverleners, wat een heel toffe dynamiek teweegbrengt. Iedereen die betrokken is, krijgt de kans om te spreken. Iedereen kan en mag iets doen. We hebben nu twee oudergroepen die maandelijks samenkomen om door te gaan op die insteek van positieve heroriëntering. Enkele ouders hebben gevraagd of ze met hun ervaringen andere ouders kunnen bijstaan. We zetten hier massaal op in.”

Een traject duurt maximaal vier maanden. Is dat voldoende?

Baert: “Wij proberen altijd tot de essentie te gaan, en daar komen we meestal heel snel. Na één of twee gesprekken kunnen mensen komen tot wat voor hen wezenlijk is. Als we in vier maanden niet de switch kunnen maken – omdat ouders bijvoorbeeld blijven hameren op ‘onze zoon moet veranderen’ en niet zien dat ook zij aan zet zijn – is er vaak andere hulp nodig. Je mag ook niet vergeten dat wij de hulp niet overnemen. We komen tussen in een lopend project, nadien worden die gezinnen verder begeleid. Daarom is ons netwerk zo belangrijk: na Columbus worden zij verder begeleid vanuit dezelfde visie omdat de mensen uit ons netwerk samen met ons de opleiding positieve heroriëntering hebben gevolgd. En we hebben dus ook oudergroepen, waar ouders tijdens of na het traject terechtkunnen. Deze ouders staan in hun kracht en nemen de touwtjes echt in handen.”

Hoeveel gezinnen ondersteunen jullie jaarlijks met Columbus?

Baert: “Zo’n 200 per jaar, met tien fulltime equivalenten.”

Dat zijn er heel wat. Werken jullie zelf ook met een wachtlijst?

Baert: “Nee, dat willen we niet. Als we een vraag krijgen rond een verontrustende situatie, dan zoeken we samen naar mogelijkheden. De bril van positieve heroriëntering biedt heel wat kansen. Soms is één telefoongesprek al heel verhelderend. En soms is er nood aan de module, maar hebben we geen ruimte. Dan parkeren we dat gezin niet op de wachtlijst, maar zoeken we een andere mogelijkheid. Hulpverlenen is bricoleren, net als het leven zelf. Ik heb twee jonge kinderen en merk dat iedere dag. Als één van de kinderen ziek is en niet naar de crèche kan, moeten we ook snel op zoek naar een alternatief. We moeten niet doen alsof de hulpverlening anders is. We hebben allemaal hetzelfde leven.”

Merkt u ook een toename van problemen, net zoals bijvoorbeeld in de crisisopvang?

Baert: “Ik denk niet dat er meer problemen zijn dan vroeger. Maar er schort wel iets aan de manier waarop we die aanpakken. Als een hulpverlener op vrijdagmiddag van een jongere hoort dat die niet meer naar huis wil, kan hij meteen de crisisopvang bellen. Maar dan slaan we de bal toch mis? Er zijn nog zoveel oplossingen: praten met de ouders, in de eerste plaats. En eventueel kijken of er geen oma, tante of goede vriend is waar die jongere één nachtje kan blijven. Al vraagt dat natuurlijk wel wat werk. Op vrijdagavond om 17u regel je misschien sneller een crisisbed dan dat je nog zulke gesprekken aangaat. Dus ja: capaciteit is een probleem, maar het gaat ook om engagement en vooral visie op hulp. We moeten weer echt luisteren naar wat mensen willen en niet meteen door een professionele bril kijken. Al besef ik heel goed dat daar tijd voor nodig is. Zelf heb ik maar een handvol gezinnen, dus voor mij is dat veel makkelijker dan voor iemand van het CLB die met tientallen jongeren tegelijk moet werken. Hun werkcontext lijkt mij bij momenten te uitdagend.”

U wordt dagelijks geconfronteerd met zware verhalen. Kunt u ze ook loslaten?

Baert: “Dat heb ik moeten leren. Mijn eerste jaar bij Columbus heb ik zeer weinig geslapen. En uiteraard zijn er nog altijd momenten waarop ik lig te piekeren: hoe kunnen we dit zo goed mogelijk aanpakken? Ik voel ook soms verdriet omdat mensen elkaar niet vinden of boosheid omdat bepaalde maatschappelijke structuren bijzonder hardnekkig zijn in hun onverzettelijkheid. Maar nu heb ik meer zicht op wat ik kan doen en welke mijn verantwoordelijkheid is: de structuur aanbieden waarin mensen met elkaar tot echte dialoog kunnen komen, elkaar opnieuw kunnen ontmoeten, het gesprek ondersteunen in gezinnen én met instanties. Ik smijt mij hiervoor volledig. Da’s mijn taak, mijn verantwoordelijkheid. Daarna begint die van de ander.”

Bent u veranderd, als hulpverlener?

Baert: “Absoluut. Vroeger, toen ik nog in de gevangenis werkte, ging ik luisteren naar mensen hun problemen en probeerde ik alles zo snel mogelijk op te lossen. Iedereen tevreden want ‘die Hilde Baert, dat was een werkpaard’. Achteraf gezien heb ik spijt dat ik het niet anders heb aangepakt. Ik heb de mensen die ik er ontmoette weinig bijgebracht en hun mogelijkheden niet vergroot. Soms is het wel moeilijk: veel mensen hebben de verwachting dat een hulpverlener alles voor hen zal oplossen. We denken dat vaak ook zelf en stellen ons dan zo op. Maar we moeten eerlijk zijn. Wij kunnen het niet oplossen voor een ander. We kunnen elkaar ondersteunen om het zelf aan te pakken. De sleutel zit in vertrouwen.”


Ontdek meer interviews in het overzicht
Hilde Baert
Bron foto: Youtube

Samen kansen creëren; dat is het verhaal van de jeugdhulp in Vlaanderen. We geven kinderen,  jongeren en gezinnen een duwtje in de rug, zodat ze snel zelf verder kunnen. Ofwel bieden we, indien nodig, langdurige ondersteuning aan; op maat en met respect voor de keuzes van jongeren en hun ouders. We versterken op een positieve manier hun eigen krachten. Zo kan iedereen bij de start van zijn of haar leven volwaardig deelnemen, waarbij de samenleving er zelf ook op vooruit gaat.

Jongeren en hun ouders kunnen rechtstreeks aankloppen bij tal van diensten voor begeleiding en advies. Wie nood heeft aan meer intensieve ondersteuning, kan aangemeld worden bij de toegangspoort die de geschikte hulp toewijst. Loopt de hulp vast of wordt deze niet aanvaard? Dan kan een gemandateerde voorziening (Ondersteuningscentrum Jeugdzorg of Vertrouwenscentrum Kindermishandeling) de hulpverlening mee opvolgen of nieuwe hulp opstarten. Bij een onverwachte crisis staat een netwerk van diensten klaar. Als de hulpverlening moeilijk verloopt, kunnen overleg en bemiddeling een uitweg bieden.

De Vlaamse jeugdhulp verbindt delen van 6 administraties uit het welzijns- en onderwijslandschap, en geeft ruimte aan tal van partners binnen een breed netwerk van professionals. Jongeren en hun ouders maken structureel deel uit van het beleid. Jeugdhulp bereikt elk jaar een paar honderdduizend kinderen en jongeren in Vlaanderen. Meer info: www.jongerenwelzijn.be, www.vaph.be, www.kindengezin.be, www.departementwvg.be, www.zorgengezondheid.be, onderwijs en vorming.

Deze tekst wordt vervangen.