Roos Steens (Emmaüs) over het Vlaamse jeugddelinquentierecht

Het ambulante aanbod voor delinquente jongeren in Vlaanderen is zeer professioneel

Met het Vlaamse jeugddelinquentierecht dat eraan komt, staat de sector voor grote uitdagingen. Zo zullen meer jongeren ambulant worden opgevolgd. Roos Steens werkt in de academische werkplaats van Jeugdzorg Emmaüs Antwerpen en onderzocht het NPT-programma, Nieuwe Perspectieven bij Terugkeer.


Hoe ben jij bij Emmaüs terechtgekomen?

Roos Steens: “Ik heb orthopedagogie gestudeerd aan de VUB en daarna nog een opleiding systeemtherapie. Ik kon aan de slag in de praktijk, onder meer in een Centrum voor Kinderzorg en Gezinsondersteuning (CKG) en later ook  in een kinder- en jeugdpsychiatrie. Dat deed ik zeer graag, maar ik miste toch een bepaalde reflectieruimte. Dus koos ik voor onderzoek, onder meer aan de VUB en de KU Leuven. Ook zeer fijn, maar toen miste ik de praktijk weer. Het was echt een zoektocht naar het juiste evenwicht. Tot ik vijf jaar geleden een vacature zag van Jeugdzorg Emmaüs Antwerpen: zij wilden starten met een academische werkplaats. Die job was op mijn lijf geschreven!”

Wat is zo’n academische werkplaats precies?

Steens: “Het is een doorgedreven, interactieve vorm van evidence based werken. Wij proberen onderzoekers, praktijkwerkers en cliënten zoveel mogelijk te verbinden. Eigenlijk wordt onderzoeks-, praktijk- en ervaringskennis voortdurend gekruist op alle niveaus van onze organisatie. Dat is iets wat ook al gebeurt in universitaire ziekenhuizen, en in Nederland in veel meer sectoren ingeburgerd is. Stilaan begint ook Vlaanderen dat te volgen.”

Je deed onder meer onderzoek naar jeugddelinquentie. Waar komt die interesse vandaan?

Steens: “Eerlijk gezegd kende ik die wereld niet zo goed. Vanuit de praktijkervaring van Raidho met jonge delinquenten, stelde het agentschap Jongerenwelzijn ons de vraag om hier onderzoek naar te doen, zo konden we onze praktijkkennis verder verdiepen en verbreden. Het is een interessante wereld, waar zeer veel boeiend onderzoek naar gebeurt. Ook in Vlaanderen, bijvoorbeeld vanuit het Leuvens Instituut voor Criminologie, of in Nederland, onder andere door Anneke Menger.”

Het doel van een straf is vooral vermijden dat jongeren opnieuw een delict plegen. Dus moet je bij elke jongere apart bekijken hoe je dat het best kunt bereiken

En straks wordt het wellicht nog interessanter, met het Vlaams jeugddelinquentierecht.

Steens: “Er komt een boeiende periode aan. En het zal niet evident zijn om dat nieuwe recht in de praktijk om te zetten, met alle veranderingen. Zo zullen gemeenschapsinstellingen zich, op termijn, enkel nog richten op jonge delictplegers. De VOS’ers (jongeren in een verontrustende situatie) zullen worden opgevangen door private voorzieningen. Dat zal een aanpassing vragen binnen het werkveld, maar internationaal wordt al lang druk gevoerd om beide groepen te scheiden.”

Er zal ook worden geopteerd voor de lichtste, meest effectieve straf. Een goede keuze?

Steens: “Absoluut. Het doel van een straf is vooral vermijden dat jongeren opnieuw een delict plegen. Dus moet je bij elke jongere apart bekijken hoe je dat het best kunt bereiken. In bepaalde gevallen is een opname in een gemeenschapsinstelling zeker nodig. Maar voor jongeren die bijvoorbeeld een enkelvoudig delict hebben gepleegd en een laag risico lopen op recidive, heeft zo’n opname weinig nut. Integendeel: uit onderzoek blijkt dat de kans op recidive dan zelfs stijgt. Dan is mobiele begeleiding veel geschikter.”

Komen jongeren er dan niet te “makkelijk” vanaf?

Steens: “Mobiele begeleiding wordt vaak gezien als een lichte reactie, maar je mag dat toch niet onderschatten. Die jongeren worden zeer intensief begeleid, soms krijgen ze drie keer per week een begeleider over de vloer. Die komen bij hen thuis, gaan mee naar school, naar hobby’s… Ze gaan heel actief met de criminogene factoren aan de slag.”

Er zal in ieder geval meer ambulant worden gewerkt.

Steens: “Ja. Ik leerde de voorbije jaren veel ambulante diensten in Vlaanderen kennen en ik stond versteld van hun professionalisme. Er wordt veel gewerkt met wetenschappelijk onderbouwde programma’s. Al blijft het zeer complex werk. Het valt niet te onderschatten voor begeleiders die elke dag met deze doelgroep aan de slag gaan. Dat geeft bij momenten veel voldoening, maar het levert ook flink wat frustratie op.”

Het valt niet te onderschatten voor begeleiders die elke dag met deze doelgroep aan de slag gaan. Dat geeft bij momenten veel voldoening, maar het levert ook flink wat frustratie op

Jij deed onderzoek bij Raidho, een afdeling van Emmaüs. Wat doet deze dienst precies?

Steens: “Zij doen ambulante begeleiding van jonge veelplegers met een hoge kans op recidive. Soms begint dit al wanneer de jongeren nog in een gemeenschapsinstelling verblijven, soms pas wanneer ze naar huis gaan. Er wordt gewerkt met Nieuwe Perspectieven bij Terugkeer (NPT), een Nederlands programma specifiek gericht op deze doelgroep. De begeleiders werken vooral cognitief-gedragsmatig, ze focussen op de criminogene factoren. Zo bekijken ze of de jongere naar school gaat, of er een zinvolle vrijetijdsbesteding is, of er bepaalde (foute) denkpatronen zijn, zoals egocentrisme, enzovoort. NPT is een vrij strakke methodiek, al kunnen de begeleiders wel op maat van de jongeren werken. Je zult hen zelden aan hun bureau vinden: ze gaan bij de jongeren thuis, naar de school, samen wandelen in de buurt… Gemiddeld wordt het programma na negen maanden beëindigd.”

Er wordt bij Raidho al sinds 2010 met NPT gewerkt. Is het effectief?

Steens: “Zeker. Maar toen we voor het onderzoek in de cijfers doken, schrokken we toch van de schommelingen. Het aantal jongeren bij wie de doelstellingen werden behaald en die na hun traject dus konden worden losgelaten, schommelde in bepaalde jaren met 18 procent.  Dat is wel even schrikken. We zochten naar verklaringen, maar vonden die niet meteen. Dus hebben we een kwalitatieve oefening gedaan: samen met de praktijkwerkers zijn we in de diepte gaan zoeken naar factoren die meespelen bij het falen of slagen van zo’n traject.”

Wat voor factoren zijn dat dan?

Steens: “Er spelen zeer veel zaken mee. De motivatie van de jongere en zijn gezin bijvoorbeeld. De contacten met de gemeenschapsinstelling. Maar ook het begeleidersteam, waar soms veel rotatie in zit. Door de dialoog met de praktijkwerkers, hebben we beseft dat de omkadering cruciaal is. Je kunt niet zomaar een wetenschappelijk onderbouwde methode kiezen en er dan vanuit gaan dat alles zomaar werkt. Dat blijkt trouwens ook uit de wetenschappelijke literatuur. Vroeger focuste die vooral op wàt werkt, nu wordt ook zeer breed gezocht naar de werkzame factoren.”

De rol van begeleiders is cruciaal. Hoe omring je hen zo goed mogelijk?

Steens: “Hun werk is zeer complex, zeker met een doelgroep als die van Raidho. We moeten dus niet alleen de jongeren goed omkaderen, maar ook de begeleiders. Zij moeten kunnen terugvallen op een hecht team, supervisie en intervisie krijgen, ruimte krijgen voor persoonlijke ontwikkeling en groei... Zo blijven ze hun werk met enthousiasme en overtuiging doen én kunnen ze de jongeren ook beter ondersteunen.”

Je moet zo programmatrouw mogelijk werken, maar af en toe ook bewust afwijken van je programma, op maat van de jongere. Het programma is een kompas, geen keurslijf

Kunnen begeleiders nog hun buikgevoel volgen, met zo’n strakke methodiek?

Steens: “Het één hoeft het ander niet uit te sluiten. Dat buikgevoel is inderdaad belangrijk, zeker als je met jongeren en gezinnen werkt. En het klopt dat NPT een vrij strak programma is, met een duidelijke fasering. Maar elke begeleider kiest hoe hij de technieken toepast. Er zijn er die werken met papieren en schema’s, terwijl anderen liever de stad intrekken en gesprekken aanknopen op basis van wat ze zien. Ze passen de methodiek toe vanuit hun eigenheid én uiteraard vanuit de noden van elke jongere. Uiteraard is dit soms een spanningsveld: je moet zo programmatrouw mogelijk werken, maar af en toe ook bewust afwijken van je programma, op maat van de jongere. Het programma is een kompas, geen keurslijf.”

En is er niet te veel administratie?

Steens: “Ook dat is een spanningsveld. Er wordt, zeker binnen de jeugddelinquentie, veel aandacht besteed aan registratie. Dat vraagt wat inspanningen, maar het is nodig om professioneel en onderbouwd te werken. Maar uiteraad moet je als organisatie ook altijd aandacht houden voor de mensen achter de papieren. Zo moet je in supervisie bijvoorbeeld niet enkel aandacht hebben voor de cijfers of het papierwerk, maar ook voor de afstemming van een begeleider met de jongere, voor het opbouwen van de werkalliantie, enzovoort.”

Hoe motiveer je jongeren om dit soort trajecten te doen slagen?

Steens: “Daar is zeer veel theorievorming over: motiverende gespreksvoering is iets wat goed gekend is in het werkveld. Daar valt veel over te zeggen, maar voor mij is het daarbij bijvoorbeeld belangrijk dat je op zoek gaat naar een klein ‘zaadje’ dat voor de jongere heel belangrijk is. De ene wil een goede grote broer zijn, de andere wil goed voor zijn mama zorgen, nog een andere wil graag zijn rijbewijs halen… Dat ‘zaadje’ kun je gebruiken als katalysator om ook op andere domeinen verandering te creëren.”

Het is belangrijk dat je op zoek gaat naar een ‘klein zaadje’ dat voor de jongere heel belangrijk is. Dat kun je gebruiken als katalysator om ook op andere domeinen verandering te creëren

Lukt het altijd om op maat te werken?

Steens: “Eigenlijk wel. Zoals gezegd is NPT een methodiek die richting geeft, geen strak protocol. Afwijkingen zijn zeker mogelijk. En daarnaast is ‘de manier waarop’ ook heel belangrijk. Zo zijn er collega’s die het idee van het ‘goede’ en ‘foute pad’ uitwerken met heuse sjablonen, terwijl anderen strepen in het zand trekken en aan de jongere vragen om erop te gaan staan. De inhoud is precies hetzelfde, maar voor jongeren kan dat een groot verschil maken.”

En hoe betrek je hun netwerk?

Steens: “Dat blijft een uitdaging. Maar we werken er hard aan, want uit onderzoek én ervaring weten we hoe belangrijk dit is. We proberen rondom de jongere een soort web te creëren: steunbronnen, het gezin, mensen uit de buurt, mensen van de gemeenschapsinstelling, de jeugdrechter… Alle neuzen moeten in dezelfde richting staan. Als er gaten in dat web komen, wordt het moeilijk. Hier zijn andere methodieken, zoals Multisysteem Theorie (MST) nog veel straffer in, dus daar proberen we van te leren. We willen niet op ons eigen NPT-eilandje blijven.”

Ik vind het jammer dat ‘evidence based’ soms heel eng wordt ingevuld, alsof je gewoon een bewezen methodiek kunt uitkiezen en aan de slag gaan

Wordt de aanpak van NPT bij Emmaüs nu aangepast?

Steens: “Dat is de bedoeling. Nu bekijken we intern wat we met de onderzoeksresultaten kunnen doen, hoe we onszelf kunnen verbeteren en de methodiek kunnen verfijnen. En we hopen natuurlijk dat andere organisaties hier ook mee aan de slag gaan. We hebben een instrument ontwikkeld waarmee zij de hele ‘puzzel’ kunnen bekijken: het programma, de begeleiders, de organisatie… Hopelijk werkt dat inspirerend.”

Conclusie: “evidence based” werken is niet voldoende?

Steens: “Ik vind het jammer dat ‘evidence based’ soms heel eng wordt ingevuld, alsof je gewoon een bewezen methodiek kunt uitkiezen en aan de slag gaan. Terwijl het in de kern betekent dat je kijkt naar wetenschappelijke bewijzen, plus de ervaring van cliënten, plus die van praktijkwerkers. Die drie zaken verbinden is essentieel.”


Ontdek meer interviews in het overzicht
Roos Steens

Samen kansen creëren; dat is het verhaal van de jeugdhulp in Vlaanderen. We geven kinderen,  jongeren en gezinnen een duwtje in de rug, zodat ze snel zelf verder kunnen. Ofwel bieden we, indien nodig, langdurige ondersteuning aan; op maat en met respect voor de keuzes van jongeren en hun ouders. We versterken op een positieve manier hun eigen krachten. Zo kan iedereen bij de start van zijn of haar leven volwaardig deelnemen, waarbij de samenleving er zelf ook op vooruit gaat.

Jongeren en hun ouders kunnen rechtstreeks aankloppen bij tal van diensten voor begeleiding en advies. Wie nood heeft aan meer intensieve ondersteuning, kan aangemeld worden bij de toegangspoort die de geschikte hulp toewijst. Loopt de hulp vast of wordt deze niet aanvaard? Dan kan een gemandateerde voorziening (Ondersteuningscentrum Jeugdzorg of Vertrouwenscentrum Kindermishandeling) de hulpverlening mee opvolgen of nieuwe hulp opstarten. Bij een onverwachte crisis staat een netwerk van diensten klaar. Als de hulpverlening moeilijk verloopt, kunnen overleg en bemiddeling een uitweg bieden.

De Vlaamse jeugdhulp verbindt delen van 6 administraties uit het welzijns- en onderwijslandschap, en geeft ruimte aan tal van partners binnen een breed netwerk van professionals. Jongeren en hun ouders maken structureel deel uit van het beleid. Jeugdhulp bereikt elk jaar een paar honderdduizend kinderen en jongeren in Vlaanderen. Meer info: www.jongerenwelzijn.be, www.vaph.be, www.kindengezin.be, www.departementwvg.be, www.zorgengezondheid.be, onderwijs en vorming.

Deze tekst wordt vervangen.