Philippe Vandaele, voorzitter van de Unie van Nederlandstalige Jeugdrechters, over het nieuwe jeugddelinquentierecht

Criminaliteit is niet kern van probleem. Een tekort aan middelen voor gepaste hulpverlening is dat wél

Het ontwerp voor het nieuwe jeugddelinquentierecht ligt al een tijdje op tafel. Daar staan positieve zaken in, maar er is toch ook reden tot bezorgdheid, vindt Philippe Vandaele, voorzitter van de Unie van Nederlandstalige Jeugdmagistraten en al veertien jaar jeugdrechter in Antwerpen.

Droomde u er altijd al van om jeugdrechter te worden?

Philippe Vandaele: “Nee. Ik heb lang getwijfeld tussen twee studies: geneeskunde – om dan te specialiseren in psychiatrie – en rechten. Uiteindelijk is het dat laatste geworden, omdat je met zo’n opleiding nog alle kanten uit kunt. Ik ben er met een zeer open geest aan begonnen en had vooral oog voor de maatschappelijke kant van het recht. Veel mensen denken dat recht een saaie bedoening is, maar het is een vertaling van onze samenleving in al zijn facetten.”

“Na mijn opleiding werd ik advocaat. Als generalist beoefende ik allerlei soorten recht, vooral burgerlijke zaken en strafzaken. Maar na een tijdje begon het toch te wringen: vaak behaalde ik positieve resultaten voor mijn cliënten die niet strookten met mijn rechtvaardigheidsgevoel. Was ik wel de juiste persoon aan het verdedigen? Dat is natuurlijk eigen aan het advocatenberoep. Maar ik wilde liever rechter worden, zodat ik zelf kon beslissen over wat ik juist of fout vond. Na flink wat examens en drie jaar stage, werd ik benoemd als rechter. Ik heb een aantal jaar afwisselend in de strafkamer en de burgerlijke kamer gewerkt, tot er een plaats vrijkwam als jeugdrechter.”

Waarom wilde u dat doen?

Vandaele: “Het is een zeer boeiende wereld met veel menselijk contact. En je bent bezig met de toekomst: kinderen en jongeren. Bovendien zijn er veel raakvlakken met mijn oude liefde psychiatrie, want daar werken wij als jeugdrechters nauw mee samen.”

De meeste jongeren die onder toezicht van de jeugdrechter staan, bevinden zich in een verontrustende opvoedingssituatie. Zij zijn dus slachtoffers, maar over hen wordt amper bericht

Bij de jeugdrechtbank denken buitenstaanders spontaan aan jonge criminelen. Klopt dit cliché?

Vandaele: “Ik ben blij dat u dit aanhaalt. Die ‘jonge criminelen’ hebben een zogenaamd MOF-statuut: zij worden ervan verdacht ‘als misdrijf omschreven feiten’ te hebben gepleegd. Dit zijn zaken waar de media snel opspringen, zeker als het gaat om zware misdrijven, zoals overvallen. En toegegeven: het gaat vaak om zeer ernstige feiten. In Antwerpen wordt vooral ook streng ingegrepen bij drugsdelicten. Dat vind ik persoonlijk een goede zaak, want als we niet ingrijpen, kunnen jongeren snel worden meegezogen in een systeem waar ze nog moeilijk uitraken.

Maar jongeren die een delict plegen, zijn slechts een (kleine) minderheid. De meeste jongeren (zo’n 85 procent, nvdr) die onder toezicht van de jeugdrechter staan, hebben een VOS-statuut (zij bevinden zich in een verontrustende (leef)situatie). Zij zijn dus slachtoffers, maar over hen wordt amper bericht. Het zijn vooral jongeren die uit ontwrichte gezinnen komen en waarbij de ouders zeer veel problemen hebben: verslaving, intrafamiliaal geweld, vechtscheidingen, emotionele problemen…”

Gemiddeld hebben jullie in Antwerpen 450 dossiers per jeugdrechter. Hebt u dat aantal de voorbije jaren zien toenemen?

Vandaele: “Nee, het neemt niet toe in absolute cijfers. Maar ik heb wel de indruk dat zaken veel langer blijven hangen in de vrijwillige hulpverlening. Ze stromen pas door naar de jeugdrechtbank als de crisis escaleert. Ik vraag me geregeld af waarom men jongeren niet sneller doorverwijst. Vooral omdat er, zowel bij de vrijwillige als de gedwongen hulp, te weinig middelen zijn. Veel jongeren krijgen dus niet de intensieve begeleiding die ze nodig hebben.”

Soms moeten we uren zitten rondbellen, zoeken en wachten om een minderjarige aangepaste hulpverlening te bieden. Of zelfs gewoon maar een dak boven het hoofd

Wordt het met zoveel dossiers geen bandwerk?

Vandaele: “Al onze dossiers gaan over individuele jongeren, dus bandwerk wordt het nooit. Het beheersen van die 450 dossiers is trouwens niet het grootste probleem. We worstelen vooral met de beschikbaarheid van plaatsen en middelen. Soms moeten we uren zitten rondbellen, zoeken en wachten om een minderjarige aangepaste hulpverlening te bieden. Of zelfs gewoon maar een dak boven het hoofd.”

Over dat dak gesproken: regelmatig belanden in Antwerpen jongeren onterecht in een politiecel.

Vandaele: “Dat is heus geen exclusief Antwerps fenomeen, ook in andere arrondissementen gebeurt het. Uiteraard doen wij dat enkel en alleen als er geen plaatsen beschikbaar zijn in gepaste voorzieningen. Maar het blijft een schande. Al zijn er nog nuanceverschillen. Als we een MOF-jongere, die zware feiten heeft gepleegd maar niet meteen binnenraakt in Everberg, een nacht in de cel moeten plaatsen, is dat erg. Maar het is nog veel erger voor een VOS-jongere die totaal onschuldig in de cel moet, gewoon omdat we geen hulp kunnen bieden.”

Waar zitten dan de grootste tekorten?

Vandaele: “Volgens mij is er nood aan een nieuw soort voorziening, gericht op jongeren met zowel gedragsproblemen als psychiatrische problemen. Er zou zeer intensief en gericht met die jongeren gewerkt moeten worden, door gespecialiseerd personeel. En bovendien zou het mogelijk moeten zijn om een besloten afdeling te hebben. Niet om die jongeren op te sluiten, maar om hen te beschermen.

Voor de bestaande voorzieningen – zowel van Jongerenwelzijn als het VAPH, maar ook psychiatrische afdelingen – is het heel moeilijk en belastend om met deze groep jongeren te werken. En dat begrijp ik ook. Vaak brengen zij het traject van andere jongeren in gevaar. Daarom is het zo belangrijk dat er een alternatief komt waar jongeren terechtkunnen en niet meer losgelaten worden. Ook niet als het onhoudbaar wordt.”

Belanden zulke jongeren nu in gemeenschapsinstellingen?

Vandaele: “Vaak wel, omdat men daar met een zeer gestructureerde en besloten setting werkt. En vaak functioneren die jongeren daar ook zeer goed. Maar als het nieuwe decreet jeugddelinquentierecht erdoor komt, zullen enkel jongeren met een MOF-statuut nog naar de gemeenschapsinstellingen kunnen. Voor VOS-jongeren wordt het quasi onmogelijk, tenzij met een time out. Eerlijk: ik houd mijn hart vast voor de toekomst. Want de druk op voorzieningen is nu al zeer groot, en voor hen zijn de gemeenschapsinstellingen een soort ventiel om de druk te verlagen. Als dat ventiel dichtgaat, wat zal er dan met die jongeren gebeuren?”

Maar een gemeenschapsinstelling is natuurlijk wel een zeer ingrijpende maatregel. Is het niet logisch dat die beperkt wordt?

Vandaele: “Dit is eigenlijk een maatschappelijk en politiek debat, dat niet door magistraten gevoerd moet worden. Maar ik wil toch nuanceren. Bij een gemeenschapsinstelling denkt iedereen meteen aan opsluiting. Maar je moet dat niet altijd als een sanctie zien. Het gaat ook over de bescherming van jongeren. Denk maar aan de meisjes die slachtoffer zijn van tienerpooiers. Als je hen niet in een gesloten setting plaatst en intensief met hen werkt, dan lopen ze meteen weer weg. Ze worden enorm gemanipuleerd, waardoor ze zichzelf niet in de hand hebben. Geloof me: vaak zijn jongeren zelf vragende partij om niet losgelaten te worden. Ze beseffen dat ze de pedalen kwijt zijn.”

De uithandengeving is een rood licht. Telkens als wij een 16- of 17-jarige uit handen moeten geven aan de rechtspraak voor volwassenen, hebben wij gefaald

Wat is uw algemene indruk van het ontwerp voor het nieuwe jeugddelinquentierecht?

Vandaele: “Er staan positieve zaken in, zoals (nog) meer oog voor de slachtoffers. Maar op zich vind ik dat er weinig mis was met de wet op de jeugdbescherming uit 1965. Hét grote probleem is het tekort aan middelen. Helaas los je dat niet op met een nieuwe wet. Ik vrees soms dat het een soort bliksemafleider is. Criminaliteit is niet de kern van het probleem. Een tekort aan middelen voor gepaste hulpverlening is dat wél.”

Een ander aspect van het voorstel is dat uithandengeving beperkt zal worden.

Vandaele: “Wat mij persoonlijk betreft, mag de uithandengeving gerust blijven bestaan. Omdat het een signaalfunctie heeft, het is een rood licht. Telkens als wij een 16- of 17-jarige uit handen moeten geven aan de rechtspraak voor volwassenen, hebben wij gefaald. En daar moeten we dan onze lessen uit trekken. We moeten blijven zoeken naar andere en betere manieren om jongeren te helpen. Want helaas falen we regelmatig: in Antwerpen alleen al zijn er jaarlijks een tiental uithandengevingen.”

Waarom wordt er zo vaak gefaald?

Vandaele: “Dat is zo’n complexe vraag, waar helaas geen eenduidig antwoord op bestaat. Hoe graag journalisten – én politici – dat antwoord ook zouden krijgen. Je zou elk individueel dossier moeten analyseren: waar zijn we die jongere verloren, wat hadden we nog meer kunnen doen? Elke jongere heeft een eigen persoonlijkheid, al dan niet met psychiatrische problemen, en een eigen context. Soms liep het mis door een tekort aan middelen of gepaste hulp, soms door die psychiatrische problemen, soms door een tekort aan gepaste therapie. Er bestaat niet één mirakeloplossing. Er is nood aan veel meer reflectie, maar helaas is daar steeds minder tijd voor. En soms zit het ook in kleine dingen.”

Geef eens een voorbeeld.

Vandaele: “Persoonlijk geloof ik nogal in het nut van persoonlijkheidstesten, zoals bijvoorbeeld de Myers-Briggs-test. Mochten we al onze jongeren aan zo’n test onderwerpen, zouden we veel beter begrijpen waar bepaalde reacties en gedragingen vandaan komen. En ook waarom een bepaald traject bij de ene jongere zeer goed werkt, en bij de andere faalt. Een introvert persoon kijkt helemaal anders naar de werkelijkheid dan een extravert persoon. Uiteraard heeft ook zo’n systeem zijn grenzen, maar het zou goed zijn om wat minder naar de problemen te kijken, en wat meer naar de kern van een jongere.”

Af en toe klinkt de kritiek dat het Antwerpse jeugdparket strenger is dan de andere arrondissementen. Klopt dat?

Vandaele: “Daar kan ik niet veel over zeggen, omdat ik geen zicht heb op het vervolgingsbeleid bij de andere jeugdparketten. Uiteraard wordt overal gereageerd op de problemen die zich voordoen, en die zullen in een grootstad deels ander zijn. Elk parket legt accenten afhankelijk van de noden die er zijn. Maar als rechter kan ik me niet uitspreken over het vervolgingsbeleid.”

Mochten we al onze jongeren aan een persoonlijkheidstest onderwerpen, zouden we veel beter begrijpen waar bepaalde reacties en gedragingen vandaan komen

Wat zijn volgens u de belangrijkste uitdagingen voor de toekomst?

Vandaele: “Hoe we moeten omgaan met alle VOS-jongeren, zeker de groep die intensieve hulpverlening en beslotenheid nodig heeft. Nu zijn er te weinig voorzieningen die aan hun specifieke noden kunnen voldoen, en ik zie niet meteen beterschap.

Ik begrijp echt niet waarom er vanuit de samenleving en politiek zo weinig aandacht is voor deze groep. Zij zijn onze toekomst, en ze zijn met velen. Als het zover is gekomen dat VOS-jongeren in de cel moeten slapen omdat er geen plaats is. Dat voorzieningen ten einde raad zijn omdat ze geen plaats hebben om die jongeren op te nemen, maar dat dan toch doen, ten koste van andere jongeren… Het kan toch niet dat zulke zaken getolereerd worden?”

Wat kunt u daar als rechter aan doen?

Vandaele: “Als rechters, en nu spreek ik ook namens de Unie, moeten wij blijvend de aandacht vestigen op dit probleem. We hebben veel overleg, onder meer met politici en het agentschap Jongerenwelzijn, waar we trouwens een zeer goede relatie mee hebben.”

Wat blijft u na al die jaren drijven?

Vandaele: “Ik wil jonge mensen kansen bieden en hen helpen om hun eigen weg te zoeken naar het geluk. Hoe dat geluk eruit ziet, is niet aan mij om in te vullen. Maar ik kan wel bepaalde mogelijkheden scheppen.

En af en toe krijg ik reacties van jongeren, jaren later, die vertellen dat het goed met hen gaat. Nu zijn we bezig met een fijn project: we geven twee jongeren – een nog onder toezicht en de andere niet meer – de kans om de muren van enkele cellen op de jeugdrechtbank te beschilderen. Een van hen heeft daar zelf nog gezeten, als VOS-jongere. Zo kunnen zij tonen wat de rechtbank voor hen heeft betekend, en hun boodschap doorgeven aan de jongeren van morgen.”


Ontdek meer interviews in het overzicht
Philippe Vandaele

Samen kansen creëren; dat is het verhaal van de jeugdhulp in Vlaanderen. We geven kinderen,  jongeren en gezinnen een duwtje in de rug, zodat ze snel zelf verder kunnen. Ofwel bieden we, indien nodig, langdurige ondersteuning aan; op maat en met respect voor de keuzes van jongeren en hun ouders. We versterken op een positieve manier hun eigen krachten. Zo kan iedereen bij de start van zijn of haar leven volwaardig deelnemen, waarbij de samenleving er zelf ook op vooruit gaat.

Jongeren en hun ouders kunnen rechtstreeks aankloppen bij tal van diensten voor begeleiding en advies. Wie nood heeft aan meer intensieve ondersteuning, kan aangemeld worden bij de toegangspoort die de geschikte hulp toewijst. Loopt de hulp vast of wordt deze niet aanvaard? Dan kan een gemandateerde voorziening (Ondersteuningscentrum Jeugdzorg of Vertrouwenscentrum Kindermishandeling) de hulpverlening mee opvolgen of nieuwe hulp opstarten. Bij een onverwachte crisis staat een netwerk van diensten klaar. Als de hulpverlening moeilijk verloopt, kunnen overleg en bemiddeling een uitweg bieden.

De Vlaamse jeugdhulp verbindt delen van 6 administraties uit het welzijns- en onderwijslandschap, en geeft ruimte aan tal van partners binnen een breed netwerk van professionals. Jongeren en hun ouders maken structureel deel uit van het beleid. Jeugdhulp bereikt elk jaar een paar honderdduizend kinderen en jongeren in Vlaanderen. Meer info: www.jongerenwelzijn.be, www.vaph.be, www.kindengezin.be, www.departementwvg.be, www.zorgengezondheid.be, onderwijs en vorming.

Deze tekst wordt vervangen.