Patrick Bedert, afdelingshoofd beleidsontwikkeling van het departement WVG over de mentaliteitsverandering in de jeugdhulp

De grootste uitdaging? Minder hokjes, meer verbinding

Dankzij de intersectorale aanpak in de jeugdhulp sijpelt er stilaan een mentaliteitsverandering door, vindt Patrick Bedert, afdelingshoofd beleidsontwikkeling van het departement Welzijn, Volksgezondheid en Gezin. “Maar er moeten nog meer hokjes en schotten tussen sectoren verdwijnen.”

U bent nu tien jaar afdelingshoofd beleidsontwikkeling. Hoe bent u hier beland?

Patrick Bedert: “Ik was – en ben in zekere zin nog altijd – gebeten door literatuur, dus besloot ik op mijn 18e om Germaanse Filologie te studeren. Daarna heb ik een zevental jaar lesgegeven. Maar in die tijd was er zeer weinig perspectief in het onderwijs, dus heb ik deelgenomen aan een overheidsexamen: Bestuurssecretaris Algemene Kwalificatie. Zo ben ik in 1990 bij Kind en Gezin beland, als beleidsmedewerker kinderopvang. Negen jaar later kon ik op het kabinet van toenmalig minister Mieke Vogels beginnen, tot 2004. Dan ben ik naar de administratie overgestapt, als projectleider Integrale Jeugdhulp. En op 1 november 2007 kwam ik dus op deze stoel terecht.”

Kinderen en jongeren lijken wel een rode draad in uw carrière.

Bedert: “In zekere zin wel, al is dat vrij toevallig. In het onderwijs was dat uiteraard zo, op het kabinet deels ook en bij Integrale Jeugdhulp zeker. Maar de laatste tien jaar is dat toch minder uitgesproken. En misschien is dat ook niet slecht voor de jeugd: ik word zelf ten slotte al wat ouder (lacht). Beleidsontwikkeling draait uiteraard ook om kinderen en jongeren, maar zeker niet uitsluitend.”

Wat doet een afdelingshoofd beleidsontwikkeling precies?

Bedert: “Goeie vraag… Recent hebben we binnen onze afdeling nog geprobeerd om dat in kaart te brengen. Eigenlijk staan wij in voor de voorbereiding, coördinatie en evaluatie van het beleid. En we werken ook thematisch rond een aantal speerpunten. Zo zijn er drie mensen in onze afdeling, onder wie Jole Louwagie (zie kader), die specifiek rond participatie en rechten in de jeugdhulp werken. En er zijn bijvoorbeeld ook collega’s die rond geweld, misbruik en kindermishandeling werken.”

“Ik merk ook dat we de laatste jaren steeds vaker worden gevraagd om projecten te trekken waarbij verschillende agentschappen betrokken zijn, als een soort ‘neutrale’ partner. Dat is niet evident: om die rol te kunnen spelen, moeten we een mandaat krijgen van de betrokkenen. Anders luisteren ze, maar doen ze daarna gewoon hun eigen zin. En omdat we niet in een hiërarchische relatie staan, is het niet evident om dat mandaat te krijgen. Daarvoor zullen we in de toekomst nog meer op onze strepen moeten staan. Dat is trouwens al tien jaar een heikele kwestie bij de Integrale Jeugdhulp: ook daar doen de verschillende agentschappen nog te vaak hun eigen ding.”

Integrale Jeugdhulp is zeker een wegbereider geweest om de tussenschotten binnen de zorg stilaan op te heffen. Dat blijft een van de grote uitdagingen voor de toekomst

U was projectleider Integrale Jeugdhulp van 2004 tot 2007. Hoe blikt u daarop terug?

Bedert: “Ik speelde een coördinerende en sturende rol, maar ik herinner me toch dat ik me soms machteloos voelde. Net omdat we niet altijd het mandaat kregen om de zaken intersectoraal in beweging te krijgen. Al lukte dat vaak gelukkig wél. Integrale Jeugdhulp is zeker een wegbereider geweest om de tussenschotten binnen de zorg stilaan op te heffen. Dat blijft overigens een van de grote uitdagingen voor de toekomst.”

Zijn die tussenschotten bij de jeugdhulp nu helemaal weg?

Bedert: “Niet helemaal. Maar ik merk toch een verschil. Zo was er onlangs een oproep om de rechtstreeks toegankelijke jeugdhulp uit te breiden. Die is geschreven door de betrokken agentschappen. De middelen zitten bij Jongerenwelzijn, maar kunnen toegekend worden aan spelers uit de verschillende agentschappen. En de aanvraag moet gebeuren door een samenwerkingsverband. Dan hef je toch al heel wat tussenschotten op, mét de nodige impact.

Maar ze zijn niet volledig weg, want er is nog altijd niet één agentschap Jeugdhulp. Daar wordt al lang over gesproken, en het ligt ook nog op tafel. Al is het zeker geen gemakkelijke oefening om zoiets te realiseren. Neem nu de Centra voor Geestelijke Gezondheid (CGG): je kunt het deel jeugd natuurlijk niet zomaar uit hun aanbod knippen. Om nog te zwijgen van de groep jongvolwassenen: vallen die dan onder jeugd, of onder volwassenen?”

Er is nog altijd niet één agentschap Jeugdhulp. Daar wordt al lang over gesproken, en het ligt ook nog op tafel. Al is het zeker geen gemakkelijke oefening om zoiets te realiseren

Een belangrijk project is de Ketenaanpak Intrafamiliaal Geweld.

Bedert: “Dat systeem werpt zeker zijn vruchten af: het is een mooi voorbeeld van werken zonder tussenschotten. Bij zo’n ketenaanpak werken hulpverleners, politie en justitie samen rond concrete dossiers en dat heeft zeker een meerwaarde. Al is er één grote valkuil: we mogen niet argeloos omspringen met de gegevensuitwisseling tussen al die betrokkenen. Dan verliezen cliënten hun vertrouwen. Er is nood aan een stevig juridisch draagvlak.”

Is de nieuwe wet op het beroepsgeheim daar niet hét middel voor?

Bedert: “Aan de wet is een nieuw artikel toegevoegd, 458ter. Dat is nu federaal goedgekeurd, maar op zich verandert dat niet meteen veel op het terrein. Wat de precieze modaliteiten zijn, is nog onduidelijk. Op dit moment zijn we volop aan het uitzoeken hoe dat nieuwe wetsartikel ingevuld kan worden, met het nodige draagvlak bij politie, justitie en hulpverlening.

Stevige juridische grondvesten zijn cruciaal. Om de bestaande praktijken die de grenzen van het wettelijke aftasten te verstevigen, bij de Family Justice Centers bijvoorbeeld. Voor alle duidelijkheid: daar gebeuren zeer goede zaken en we willen die centra ook blijven ondersteunen. Maar hun systeem van ‘one-stop-shops’, met alle actoren op één plaats, maakt de kwestie van het beroepsgeheim nog complexer. We zullen hun werking zeker niet afremmen, maar we kunnen het ook niet evident als model gebruiken voor de andere provincies: we mogen niet de vlucht vooruit nemen.

Al vinden we het wel belangrijk dat de ketenaanpak op zich ook in de andere provincies uitgebouwd wordt. Nu is de dynamiek overal heel verschillend: in Antwerpen is het volledig uitgebouwd, in Oost- en West-Vlaanderen zitten ze nog in de verkenningsfase. Dat moeten we dus wat stroomlijnen. De provinciale coördinatoren Intrafamiliaal Geweld worden trouwens ingekanteld in onze Justitiehuizen, dus ook organisatorisch kunnen we alles op één lijn zetten.”

Bij de Family Justice Centers gebeuren zeer goede zaken. Maar hun systeem van ‘one-stop-shops’ maakt de kwestie van het beroepsgeheim nog complexer

Een andere uitdaging is de vermaatschappelijking van de jeugdhulp. Wat gebeurt daar nu al voor?

Bedert: “Vermaatschappelijking begint niet op één welbepaald moment. Die evolutie is al enkele jaren aan de gang in de welzijns- en gezondheidswereld. Als we dat containerbegrip te pas en te onpas gebruiken, verzanden we in een soort betekenisloosheid. Het uitgangspunt is cruciaal: laten we zorg een plaats geven in de samenleving. Onze campagne rond ‘Eén gezin, één plan’ is daar een mooi voorbeeld van: we halen de tussenschotten weg, we proberen iedereen op één lijn te zetten en – zéér belangrijk – we laten de cliënt zoveel mogelijk participeren en regisseren.”

Wat zijn volgens u de belangrijkste uitdagingen voor de jeugdhulp?

Bedert: “Hoe we jongvolwassenen kunnen ondersteunen. Dat is misschien wel het meest prangende thema waarbij ontschotting cruciaal is.

En ook de link tussen geestelijke gezondheid en jeugdhulp moet veel steviger worden. De Centra voor Geestelijke Gezondheidszorg maken al deel uit van de Integrale Jeugdhulp, maar de kinder- en jongerenpsychiatrie niet. Zulke hokjes kun je niet aanhouden.”
 


Jole Louwagie

Het Departement WVG lanceerde enkele maanden geleden een campagne rond vertrouwenspersonen binnen de jeugdhulp: “Zotte dingen deel je met iedereen, maar met wie kan je serieuze dingen delen als je het moeilijk hebt?” Stafmedewerker Jole Louwagie geeft tekst en uitleg.

Vertrouwenspersonen zijn cruciaal om het recht op bijstand te kunnen waarmaken

Waarom worden die vertrouwenspersonen nu zo in de kijker gezet?

Jole Louwagie: “Eigenlijk willen we vooral het recht op bijstand door een vertrouwenspersoon promoten. Het recht op bijstand bestaat al meer dan tien jaar, maar er wordt zeer weinig gebruik van gemaakt. Ook de volwaardige positie van ‘vertrouwenspersoon’ bestaat al sinds 2013, maar blijkbaar is die nog te weinig bekend. Zo iemand kan vrij veel betekenen voor de minderjarige: zijn dossier mee opvolgen bijvoorbeeld, en hulpverleners aanspreken. Maar dat gebeurt in de praktijk veel te weinig, vandaar dus deze campagne.”

Mag iedereen vertrouwenspersoon worden?

Louwagie: “Je moet meerderjarig zijn, een uittreksel uit het strafregister model 2 kunnen voorleggen en ondubbelzinnig aangeduid zijn door de minderjarige. En je mag niet rechtstreeks betrokken zijn bij de hulpverlening aan de minderjarige.”

Wat voor mensen zijn dat dan in de praktijk?

Louwagie: “Helaas is er nog niet veel praktijk. Maar bij voorkeur kiest een minderjarige iemand uit zijn eigen netwerk: een tante, een leerkracht, een vroegere scoutsleider, een hulpverlener die niet betrokken is, een straathoekwerker… Iemand met wie de minderjarige een klik heeft, want vertrouwen is cruciaal. Soms groeit dat ook. Een vriend met wie een jongere regelmatig uitstapjes doet, kan later evolueren naar een vertrouwenspersoon, die meegaat naar gesprekken binnen de jeugdhulp.”

En wat als de minderjarige niemand vindt die dit kan of wil doen?

Louwagie: “Daarvoor hebben we een samenwerking opgestart met vzw Lus, die gespecialiseerd is in netwerkgericht werken. Zij bekijken samen met de minderjarige of er iemand uit zijn netwerk in aanmerking komt. Indien niet, gaan ze op zoek naar een geschikte vrijwilliger. Ze hebben een netwerk van vrijwilligers over heel Vlaanderen. Maar je moet dat niet zien als een ‘mandje’ waaruit de jongere kan kiezen. Ze gaan heel gericht op zoek naar iemand die specifiek kan waarmaken wat de jongere zoekt: wil hij iemand die hem kan bijstaan binnen de hulpverlening? Of liever iemand om af en toe leuke dingen mee te doen?”

Moet in de toekomst elke jongere uit de jeugdhulp een vertrouwenspersoon hebben?

Louwagie: “Onze missie is geslaagd als elke jongere die daar behoefte aan heeft, zo’n persoon vindt. Vaak kunnen ouders die ondersteunende rol opnemen, maar helaas niet altijd. Maar het is toch vooral belangrijk dat jongeren hun recht op bijstand kennen en in de praktijk kunnen brengen. Hulpverleners moeten alert zijn: als een jongere zeer gesloten is, is zo’n vertrouwenspersoon nog prangender. En ze moeten vertrouwenspersonen in hun rol erkennen. Maar het is ook hun taak om jongeren hierover te informeren. Daarom is het belangrijk dat hulpverleners dit ook goed kennen, vandaar de informatiemomenten die daarover nu in elke regio georganiseerd worden.

Het recht op participatie en informatie is cruciaal binnen de jeugdhulp. Daarom geven we ook extra ondersteuning aan organisaties als vzw Cachet, die jongeren uit de jeugdhulp een stem geven, en vzw Oudersparticipatie Jeugdhulp Vlaanderen. En het blijft een uitdaging om daar als hulpverlener bij stil te staan. Bij ketenaanpak is dat bijvoorbeeld ook zeer belangrijk: we mogen de jongere – om wie het draait – nooit uit het oog verliezen. In het ideale geval zijn jongeren aanwezig bij elk overleg en voelen ze zich vrij om hun mening te geven. Maar vertrouwenspersonen kunnen soms toch nog een extra duwtje in de rug geven.”

Meer informatie over de vertrouwenspersoon kan je vinden op mijnvertrouwenspersoon.be


Ontdek meer interviews in het overzicht
Patrick Bedert
Tekst & foto's: Stefanie Van den Broeck

Samen kansen creëren; dat is het verhaal van de jeugdhulp in Vlaanderen. We geven kinderen,  jongeren en gezinnen een duwtje in de rug, zodat ze snel zelf verder kunnen. Ofwel bieden we, indien nodig, langdurige ondersteuning aan; op maat en met respect voor de keuzes van jongeren en hun ouders. We versterken op een positieve manier hun eigen krachten. Zo kan iedereen bij de start van zijn of haar leven volwaardig deelnemen, waarbij de samenleving er zelf ook op vooruit gaat.

Jongeren en hun ouders kunnen rechtstreeks aankloppen bij tal van diensten voor begeleiding en advies. Wie nood heeft aan meer intensieve ondersteuning, kan aangemeld worden bij de toegangspoort die de geschikte hulp toewijst. Loopt de hulp vast of wordt deze niet aanvaard? Dan kan een gemandateerde voorziening (Ondersteuningscentrum Jeugdzorg of Vertrouwenscentrum Kindermishandeling) de hulpverlening mee opvolgen of nieuwe hulp opstarten. Bij een onverwachte crisis staat een netwerk van diensten klaar. Als de hulpverlening moeilijk verloopt, kunnen overleg en bemiddeling een uitweg bieden.

De Vlaamse jeugdhulp verbindt delen van 6 administraties uit het welzijns- en onderwijslandschap, en geeft ruimte aan tal van partners binnen een breed netwerk van professionals. Jongeren en hun ouders maken structureel deel uit van het beleid. Jeugdhulp bereikt elk jaar een paar honderdduizend kinderen en jongeren in Vlaanderen. Meer info: www.jongerenwelzijn.be, www.vaph.be, www.kindengezin.be, www.departementwvg.be, www.zorgengezondheid.be, onderwijs en vorming.

Deze tekst wordt vervangen.