Louis Janssens: 'Iedereen heeft familie nodig'

De jeugdhulp is nu veel meer gericht op de context van jongeren, en maar goed ook

Volgend jaar gaat Louis Janssens, algemeen directeur bij Jeugdzorg Emmaüs Mechelen, met pensioen. Meer dan 20 jaar beleefde hij de jeugdhulp vanop de eerste rij. “Vroeger waren begeleiders zeer betrokken bij hun jongeren en volgden ze hun buikgevoel. De voorbije decennia is alles veel wetenschappelijker geworden: een fantastische evolutie.”

U bent al 21 jaar directeur bij Jeugdzorg Emmaüs Mechelen. Hoe kwam u hier terecht?

Louis Janssens: “Na mijn opleiding Sociale Verpleegkunde kon ik bij De Pont beginnen, een centrum voor geestelijke gezondheidszorg in Mechelen. Daar heb ik elf jaar gewerkt. Daarna ben ik vier jaar hoofdverpleegkundige geweest in de psychiatrische afdeling van een lokaal ziekenhuis. In die periode kreeg ik ook de kans om bestuurder te worden van de vzw Jongenstehuizen Ivo Cornelis. En toen Huize Bethanië uit Schoten mee onder onze vleugels kwam, hadden ze nood aan een afgevaardigd bestuurder. Dat ben ik geworden. Na heel wat uitbreidingen wilden we ons aansluiten bij een sterke partner uit de regio en dat is de Antwerpse vzw Emmaüs geworden. Zowel in Antwerpen als Mechelen bleef die sterk groeien, maar het bestuur heeft altijd geoordeeld dat de twee regio’s hun eigen slagkracht moesten behouden. Een zeer goede zaak, want we werken veel samen met lokale spelers en de contexten in Mechelen en Antwerpen zijn nu eenmaal zeer verschillend.”

Wist u vroeger al dat u ooit in de jeugdzorg wilde werken?

Janssens: “Aanvankelijk wilde ik vooral in de geestelijke gezondheidszorg werken en dat heb ik ook 11 jaar gedaan, met heel veel plezier. Maar af en toe moet een mens eens veranderen, om niet in automatismen te verzeilen.”

Toch werkt u nu al 21 jaar in de jeugdzorg.

Janssens: “Dat klopt, maar het boeiende aan deze sector is de constante dynamiek. Er is geen jaar voorbijgegaan – letterlijk bijna – of we konden vernieuwen of uitbreiden. Dat maakt het ongelofelijk interessant.”

Twintig jaar geleden waren er heel wat gasten die hier als kleine jongen aankwamen en in de leefgroep bleven tot ze trouwden. Ik heb dat enorm zien kantelen

Hoe hebt u de jeugdzorg de voorbije decennia zien evolueren?

Janssens: “Toen ik hier begin jaren 90 begon, had je bijna uitsluitend residentiële opvang, met grote leefgroepen van een 15-tal jongeren. Die kregen goede zorg, begeleiders gingen 100 procent voor hun gasten, maar er was amper aandacht voor de context. De breuk met het gezin was zeer groot en er werd amper stilgestaan bij het feit dat die jongeren ooit zouden terugkeren. Er waren heel wat gasten die hier als kleine jongen aankwamen en in de leefgroep bleven tot ze trouwden. Ik heb dat enorm zien kantelen. Er werd met de jaren steeds meer gekozen voor dagcentra en thuisbegeleiding.

Bovendien hebben we de kans gekregen om al onze organisaties om te bouwen tot multifunctionele centra. Vroeger zat iedereen op zijn eigen, knusse eilandje. Maar wij geloven zeer sterk in één contextbegeleider en één interne regisseur die de jongere van begin tot einde volgt. Daarvoor moeten mensen natuurlijk uit hun comfortzone komen, met veel verschillende collega’s samenwerken en zich verantwoorden.”

Hebt u ook een grote professionalisering gezien?

Janssens: “Zeker. Twintig jaar geleden volgde iedereen zijn buikgevoel, er werd amper nagedacht over methodieken, handelingsplannen… Dat was allemaal goedbedoeld, maar het is toch een goede zaak dat alles nu veel wetenschappelijker gebeurt. Intussen kiezen we voluit voor reflectie, vorming, intervisie en supervisie.”

Is er vandaag meer nood aan jeugdhulp?

Janssens: “Ongetwijfeld. Onze maatschappij is complexer geworden. Dat zie je bijvoorbeeld aan het groeiende aantal jongeren uit eenoudergezinnen en nieuw-samengestelde gezinnen. Problemen worden ook sneller dan vroeger gedetecteerd, waardoor er meer hulp wordt gevraagd. Al zie ik wel één minpunt: veel situaties worden in zo’n vroeg stadium doorgeschoven. Vaak ziet een CLB-medewerker dat iets foutloopt en verwijst die meteen door naar een andere hulpverlener. Terwijl hij het net zo goed zelf zou kunnen oplossen. Helaas is de werkdruk bij het CLB zeer hoog, waardoor dat doorverwijzen bijna een automatisme wordt. Maar dan moet de jongere natuurlijk nog langer wachten op hulp.”

Emmaüs Mechelen kwam doorheen de jaren vaak met innovatieve projecten, zoals MST (multisysteemtherapie).

Janssens: “Dat verhaal begon bij een oproep van burgemeester Bart Somers. Hij opperde het idee dat in Mechelen een jeugdgevangenis moest komen. En ja, er zijn inderdaad jongeren die criminele feiten plegen, maar wij zijn radicaal tegen zo’n gevangenis. Bij Emmaüs geloven wij in hulpverlening, en we hebben al flink wat ervaring met ‘moeilijke gasten’ in onze residentiële voorzieningen. Dus wilden we een positief antwoord formuleren op die oproep. We zouden een nieuwe gesloten voorziening bouwen, maar dat vraagt natuurlijk tijd. Dus hebben we de markt wat verkend en zo kwamen we terecht in Nederland, waar het Amerikaanse MST-systeem al langer wordt toegepast.”

De afgelopen zes jaar hebben we ongeveer 150 jongeren begeleid met MST en bij 80 procent is het geslaagd

Hoe werkt MST precies?

Janssens: “Het is een mobiel traject voor jongeren met delinquent gedrag, om uithuisplaatsing te vermijden. MST is zeer goed wetenschappelijk onderbouwd en de kwaliteitseisen zijn hoog. Belangrijk is vooral dat de focus verlegd wordt van de jongere naar zijn ouders. De voorwaarde om met MST te kunnen starten, is niet dat de jongere akkoord gaat, maar wel zijn ouders. Of toch tenminste een van de ouders. Als zij zich willen engageren, beginnen wij een heel netwerk uit te bouwen met belangrijke contextfiguren en een MST-therapeut om de jongere nauwlettend te controleren en te confronteren: heeft hij geen contact meer met ‘foute vrienden’, hoe vult hij zijn vrije tijd in, gaat hij wel naar school… De impact op de jongere is zo groot, dat hij uiteindelijk wel moet bijdraaien. Dat blijkt ook uit onze cijfers: de afgelopen zes jaar hebben we ongeveer 150 jongeren begeleid met MST en bij 80 procent is het geslaagd, wat wil zeggen dat die jongeren niet meer in aanraking zijn gekomen met de politie. Uiteraard speelt ook de stok achter de deur mee: als het mislukt, moet de jongere naar een gemeenschapsinstelling.”

Waarin schuilt de sleutel tot succes?

Janssens: “Vooral de minimale bereidheid van de ouders is belangrijk. Al mag je dat niet onderschatten: het is een groot engagement. Regelmatig zijn er ouders die aangeven dat het niet lukt. Ze hebben al zoveel meegemaakt met hun kind en zijn soms gewoon op. En je kunt je wel inbeelden dat jongeren niet altijd vrolijk reageren wanneer hun ouders besluiten om in zo’n traject te stappen. Daarom is de begeleiding door de MST-therapeut cruciaal. Ouders kunnen zeven dagen op zeven, 24 uur op 24 bij die persoon terecht met hun vragen en twijfels. En daarnaast denk ik dat de kracht van MST ook schuilt in de focus op hier en nu. Problemen van vroeger mogen even rusten, we kijken naar wat nu goed en fout loopt en hoe we dat positief kunnen aanpakken. Het is echt de bedoeling om jongeren nu uit de criminaliteit te houden, en dat lukt alleen als de hele context meewerkt.”

Maar voor sommige jongeren blijft een gesloten voorziening toch nodig?

Janssens: “Ja, in april 2016 is onze nieuwbouw geopend. Soms kan het voor ouders nodig zijn om een pauze in te lassen, waarbij de jongere even elders verblijft. Maar in die voorziening werken we niet langer met het klassieke fasesysteem, waarbij jongeren gaandeweg meer vrijheden krijgen. Dat werkt niet. We kiezen ook hier resoluut voor MST, vanaf dag één. Vroeger werd een jongere enkele maanden geplaatst en was er amper contact met het thuisfront en de school. Je kunt je wel voorstellen dat de terugkeer niet altijd vlot verliep. Wij proberen de ouders nu meteen te betrekken: we informeren hen over de stand van zaken, vragen hoe zij in bepaalde situaties zouden reageren, enzovoort.”

Jullie hebben ook een project voor kwetsbare jongvolwassenen. Leg eens uit?

Janssens: “We hebben deelgenomen aan een onderzoek van vzw Cachet en dat heeft ons enorm geïnspireerd. De overgang van een residentiële voorziening naar zelfstandig wonen is voor veel jongeren een zéér grote stap. Ze worden wel getraind om zelf te leren wassen, strijken en koken, maar altijd onder begeleiding. En eenmaal ze effectief alleen wonen, verdwijnen die vaardigheden vaak als sneeuw voor de zon en worden ze overvallen door een verpletterende eenzaamheid. Ze verliezen de moed om hun huishouden te doen, grijpen naar drank of drugs en glijden helemaal af. Daarom experimenteren we nu met alternatieve woonvormen: twee of drie jongvolwassenen kunnen samenwonen in een huisje in de stad, onder begeleiding én met een buddysysteem. Na een jaar zijn ze een stuk rijper om echt zelfstandig te wonen, of om terug te keren naar hun familie. Want dat herstel van de thuissituatie proberen we zoveel mogelijk te stimuleren. Iedereen heeft familie nodig.”

Vroeger werd een jongere enkele maanden in een gesloten voorziening geplaatst en was er amper contact met het thuisfront. Wij proberen de ouders nu meteen te betrekken

Zitten alle jongeren hierop te wachten?

Janssens: “Veel jongeren zijn op hun 18e opgelucht dat ze eindelijk mogen vertrekken uit de jeugdhulp. Ze zijn alle bemoeienissen beu en willen op eigen benen staan. En dus zetten ze die stap, maar na enkele maanden zien we hen vaak toch verkommeren. Vroeger was er dan geen weg terug, maar nu gelukkig wel. Ze kunnen alsnog naar zo’n alternatieve woonvorm overstappen, of zelfs terugkeren naar de residentiële opvang. Een enorme verbetering.”

Voelt u zich als directeur nog sterk betrokken bij de jongeren zelf?

Janssens: “Minder dan de directeurs van vroeger. Twintig jaar geleden was er veel minder ‘verloop’: jongeren bleven jarenlang in een leefgroep, dus de band met begeleiders en directie was veel hechter. Zelf kan ik wel erg aangegrepen worden door de jongste groep: kindjes van 0 tot 6 jaar. We zien hier steeds meer schrijnende situaties, waarbij kindjes in een crisis worden binnengebracht, vaak zonder elementaire kledij.

En een andere groep waarvan ik sta te kijken, maar dan in positieve zin, zijn de niet-begeleide minderjarige vluchtelingen. In de zomer van 2016 hebben we zo’n leefgroep opgestart. De dynamiek is daar heel anders: die gasten willen vooruit, ze zijn niet tegen hun zin geplaatst. Als je daar als directeur binnenstapt, ben je ‘de meneer’. Terwijl ik in andere leefgroepen eerder ‘de bejaarde’ ben. (lacht) Al heeft dat natuurlijk ook veel met cultuur en waarden te maken.”

Volgend jaar gaat u met pensioen. Wat zijn volgens u nog de grote uitdagingen voor de toekomst?

Janssens: “Ik denk dat de jeugdhulp in de goede richting evolueert, en ik moet ook zeggen dat het contact met het agentschap Jongerenwelzijn altijd zeer goed is geweest. Het nieuw jeugddelinquentierecht biedt meer mogelijkheden om gepast en constructief te reageren op jongeren die over de schreef gaan. De verantwoordelijkheid van de jongere staat centraal. Toch zou ik zelf ook nog de meer de verantwoordelijk van de ouders benadrukken en hen ook extra ondersteunen. Voor sommige ouders zou een opleiding ouderschap geen slecht idee zijn. Zij hebben zelf nooit een goed voorbeeld gekregen, dus waar zouden ze het geleerd hebben? Maar het is wel cruciaal om de toekomst van hun eigen kinderen te verbeteren.’


Ontdek meer interviews in het overzicht
Louis Janssens

Samen kansen creëren; dat is het verhaal van de jeugdhulp in Vlaanderen. We geven kinderen,  jongeren en gezinnen een duwtje in de rug, zodat ze snel zelf verder kunnen. Ofwel bieden we, indien nodig, langdurige ondersteuning aan; op maat en met respect voor de keuzes van jongeren en hun ouders. We versterken op een positieve manier hun eigen krachten. Zo kan iedereen bij de start van zijn of haar leven volwaardig deelnemen, waarbij de samenleving er zelf ook op vooruit gaat.

Jongeren en hun ouders kunnen rechtstreeks aankloppen bij tal van diensten voor begeleiding en advies. Wie nood heeft aan meer intensieve ondersteuning, kan aangemeld worden bij de toegangspoort die de geschikte hulp toewijst. Loopt de hulp vast of wordt deze niet aanvaard? Dan kan een gemandateerde voorziening (Ondersteuningscentrum Jeugdzorg of Vertrouwenscentrum Kindermishandeling) de hulpverlening mee opvolgen of nieuwe hulp opstarten. Bij een onverwachte crisis staat een netwerk van diensten klaar. Als de hulpverlening moeilijk verloopt, kunnen overleg en bemiddeling een uitweg bieden.

De Vlaamse jeugdhulp verbindt delen van 6 administraties uit het welzijns- en onderwijslandschap, en geeft ruimte aan tal van partners binnen een breed netwerk van professionals. Jongeren en hun ouders maken structureel deel uit van het beleid. Jeugdhulp bereikt elk jaar een paar honderdduizend kinderen en jongeren in Vlaanderen. Meer info: www.jongerenwelzijn.be, www.vaph.be, www.kindengezin.be, www.departementwvg.be, www.zorgengezondheid.be, onderwijs en vorming.

Deze tekst wordt vervangen.