Kinderpsychiater Binu Singh gelooft in preventieve zorg

Door baby’s en hun ouders goed te helpen, kun je veel leed voorkomen

Kinderpsychiater Binu Singh gelooft heel erg in preventieve zorg. Ruim drie jaar geleden zette ze haar schouders onder de babypsychiatrie in het UPC KU Leuven, een onderdeel van de kleine K. “Als je investeert in de kritische 1001 dagen, zijn nadien veel minder dure interventies nodig.”


Hoe ziet uw persoonlijke parcours eruit?

Binu Singh: “Al in het derde leerjaar wist ik dat ik arts wilde worden. Hartjesdokter, zo noemde ik het zelf. En eigenlijk is dat wel gelukt. (glimlacht) Aanvankelijk dacht ik in de richting van gynaecologie, maar tijdens mijn stage merkte ik toch dat ik te weinig voldoening kon halen uit die louter fysieke zorgen voor moeder en kind. Per toeval hoorde ik over de kinderpsychiatrie – toen nog een opkomende specialisatie. Daar vroeg ik een keuzestage aan en per toeval kwam ik bij de infant psychiatrie terecht. Dat voelde echt als thuiskomen. Tijdens mijn specialisatiejaren heb ik nog veel extra opleidingen gevolgd – van psychotherapie tot dans en voedingsleer – want ik wilde heel veel weten. En uiteindelijk was er dan een vacature op de kinderpsychiatrie – UPC KU Leuven in Gasthuisberg, waar ze wilden beginnen met een dagziekenhuis voor kleuters.”

Aanvankelijk was dat enkel voor kleuters bedoeld?

Singh: “Ja, er was een goedkeuring voor 7 kinderen tussen 3 en 6 jaar. Ik opperde meteen dat er ook een aanbod voor baby’s zou moeten komen. Mijn diensthoofd kon zich daarin vinden, en dus hebben we die zeven plaatsen gebruikt voor 8 kleuters en 4 baby’s. De jongste baby die we hier al hebben geholpen, was amper vijf weken oud. Wij zijn het enige ziekenhuis in Nederlandstalig België met dit aanbod, maar we merken dat er echt nood aan is. Ik hoef hier heus niet elke huilbaby of slechte slaper te zien, maar er zijn gezinnen bij wie thuishulp of ambulante hulp gewoon niet voldoende is. Ouders die compleet uitgeput zijn door de grote zorg die hun kind nodig heeft en zich heel geïsoleerd en gefaald voelen.”

Ik hoef hier heus niet elke huilbaby of slechte slaper te zien, maar er zijn gezinnen bij wie thuishulp of ambulante hulp gewoon niet voldoende is

Waarom is het belangrijk om kinderen al zo jong intensief te helpen?

Singh: “Onze gezondheidszorg werkt meestal volgens het principe van ‘stepped care’. Je begint met eenvoudige hulp, als dat niet helpt wordt het iets gespecialiseerder, enzovoort. Maar voor baby’s werkt dat niet. Zij evolueren zéér snel. Als een baby’tje van zes maanden een maand moet wachten op de juiste hulp, is dat hetzelfde als een dertiger vijf jaar laten wachten. Wij werken volgens het idee van ‘balanced care’: de juiste hulp op het juiste moment. Als we een baby en zijn ouders snel de juiste hulp geven, lukt het meestal met een veel kortere opname. Daarna kunnen ze ambulant verder. We wéten dat vroege interventie veel efficiënter is – om dan toch maar een economische term te gebruiken. Je bespaart het kind en zijn omgeving veel leed en je bespaart de maatschappij veel geld. Als je investeert in de kritische 1001 dagen (van conceptie tot 2,5 jaar), zijn nadien veel minder dure interventies nodig en is het welzijn van ouders en kinderen veel hoger. Maar die klik hebben we als samenleving nog niet gemaakt. Hopelijk kan de kleine K daarin een schakel zijn.”

Kan er bij baby’s al sprake zijn van psychiatrische problemen?

Singh: “We doen natuurlijk aan vroegdetectie, van autisme of ontwikkelingsproblemen bijvoorbeeld. Omdat een vroege behandeling de prognose aanzienlijk kan verbeteren. Maar in de eerste plaats is dit een preventief project. Door kindjes vroeg te helpen, hoeft er vaak geen stoornis te ontstaan. De kindjes die we zien hebben meestal ‘regulatieproblemen’: ze zijn ontroostbaar, huilen veel, slapen en eten moeilijk... Vaak spelen psychologische en fysieke factoren op elkaar in. Door zware reflux heeft een kindje bijvoorbeeld veel pijn en stress en slaapt het moeilijk, waardoor het nog onrustiger wordt. Daardoor raken de ouders uitgeput en kunnen ze hun baby minder ‘coregulatie’ bieden: deze baby’s leren dan moeilijker om zichzelf tot rust te brengen en de aanhoudende stress verergert de reflux. En de negatieve spiraal van wederzijdse ‘disregulatie’ is vertrokken.”

Door kindjes vroeg te helpen, hoeft er vaak geen stoornis te ontstaan

Hoe zou u de werking van de kleine K omschrijven?

Singh: “We werken semiresidentieel, met dagopnames. Voor jonge kinderen is het heel belangrijk dat zij in hun natuurlijke omgeving kunnen blijven en dat we hun ouders en bredere context de hulp bieden die ze nodig hebben. Onze kleuters komen vier dagen per week, waarvan één dag met een ouder. De baby’s komen één dag per week naar het groepsprogramma – altijd met een ouder – en ze krijgen ook nog een wekelijkse consultatie. Daarvoor kijken we wat de ouders en baby op dat moment nodig hebben en bieden we een sessie op maat. Van een koppelgesprek tot traumatherapie voor de baby. Het groepsprogramma is dan weer een ‘therapeutisch bad’ waarin de baby en zijn ouder een hele dag gemarineerd worden. Zij kunnen op hun tempo opnemen wat zij nodig hebben.”

Hoe ziet zo’n dag eruit?

Singh: “Na de ontvangst beginnen we met een muziekmoment. Eerst een liedje tussen ouder en kind, daarna eentje waarbij met de hele groep elke baby één voor één welkom wordt geheten. Zo wordt duidelijk dat de dag begonnen is: voorspelbaarheid is voor jonge kinderen heel belangrijk. Daarna volgen onder meer een korte mindfulnessoefening, zodat ouders een vorm van zelfzorg aanleren. Ze leren hun baby ook te observeren met een neutrale blik, zonder verwachtingen. En er is een moment van ‘liefdevol aanraken’. Vroeger heette dat babymassage, maar daar zijn we mee gestopt. Volwassenen bedoelen dat goed, maar voor baby’s kan masseren heel grensoverschrijdend zijn. Daarna gaan we ook nog eens wandelen – natuur en beweging zijn goed voor uitgeputte volwassenen én baby’s.
In de namiddag worden ouders en baby’s één uur gescheiden. De volwassenen krijgen dan groepstherapie, die vooral bestaat uit psycho-educatie op maat. Ik kijk welke vragen leven en behandel die. Wat is bijvoorbeeld een ‘normale’ slaapontwikkeling bij baby’s? Het is de bedoeling dat ouders weer realistische verwachtingen krijgen en leren na te denken over de opvoeding vanuit het perspectief van de baby en diens noden. En we leren ook hoe ze hun eigen gevoelens kunnen benoemen en reguleren. Maar ook de peer support is cruciaal: het helpt enorm om andere ouders te ontmoeten bij wie het ook niet zo perfect loopt.
Tijdens die oudersessie krijgen de baby’s zogenaamde ‘coregulatietherapie’. Soms loopt een van onze therapeuten gewoon heen en weer met een baby in de draagzak. Maar hij laat wel voelen dat hij er is voor de baby, dat die tot rust kan komen. Zo ervaren de baby’s wat het betekent om bij een volwassene te zijn die niét doodmoe is.
Na de oudergroep volgt weer een moment samen, de zogenaamde ‘downregulatie’: we leren de ouders om een ‘human being’ te zijn, in plaats van een ‘human doing’. Baby’s kunnen veel beter naar die ‘zijnsmodus’ gaan. Als ouder moet je dat leren: ontspannen en vertragen. Soms zien we kindjes dan diep zuchten, of zich voor het eerst eens met hun hele gewicht tegen de ouder vleien. Heel mooi. Tot slot eindigen we de dag met babydans, en zwaaien we alle kindjes weer uit.”

Het groepsprogramma is een ‘therapeutisch bad’ waarin de baby en zijn ouder een hele dag gemarineerd worden

Bereiken jullie ook kwetsbare gezinnen?

Singh: “Financieel zou het geen probleem mogen zijn: één dag behandeling plus één consultatie kosten nu 11 euro, minder dan een dag in de crèche. En als dat niet lukt, proberen we een oplossing te vinden via fondsen. En we bereiken ook gezinnen van allochtone origine. Al is het wel belangrijk dat ze (een beetje) Nederlands spreken, omdat we met een groepsaanbod werken. We merken wel dat de culturele achtergrond soms zwaar doorweegt bij jonge kindjes. In sommige culturen is je kind lang en veel voeden, ook ’s nachts, bijvoorbeeld een teken van goed ouderschap. Als hulpverlener is het belangrijk om je daar goed van bewust te zijn, zodat je dat op een juiste manier kunt aanpakken.”

Als een jong kind (tijdelijk) niet meer thuis kan wonen, is de eerste optie pleegzorg. Hoe bekijkt u dat, als kinderpsychiater?

Singh: “Het is een zeer kindvriendelijke evolutie. Vanuit een volwassen perspectief zijn grote voorzieningen ‘makkelijker’. Maar voor een kind zijn verbinding, continuïteit en veiligheid cruciaal. Al is het wel belangrijk dat we pleegzorgers goed ondersteunen. Kinderen met een ‘rugzakje’ opvangen kan heel zwaar zijn, je kunt daarbij niet zomaar op je buikgevoel vertrouwen. In de kleine K helpen wij ook soms pleegzorgers met de kindjes, en we proberen ook de biologische ouders daarbij te betrekken. Dat werkt heel goed.”

We leren de ouders om een ‘human being’ te zijn, in plaats van een ‘human doing’. Baby’s kunnen veel beter naar die ‘zijnsmodus’ gaan

Wat als kinderen in de kritische 1000 dagen niet goed gehecht zijn? Kan dat nog worden opgelost?

Singh: “Ik blijf altijd hoopvol. Hoe groter de schade, hoe moeilijker het herstel. Maar we moeten blijven investeren in kinderen. Ze zijn nog zo veerkrachtig. Op zijn minst kunnen we hen aanleren hoe ze met de schade kunnen omgaan op een goede manier, zodat ze toch kunnen uitgroeien tot volwassenen met een vervullend leven en een plek in de maatschappij.”

Een van uw stokpaardjes is prenatale zorg. Hoe staat het daarmee in Vlaanderen?

Singh: “We mogen heel fier zijn op onze fysieke zorg, zelfs vóór de conceptie. We zijn er toch maar in geslaagd dat de meeste vrouwen weten dat ze foliumzuur moeten slikken. Maar in de mentale zorg voor het ongeboren kind staan we ver achter. Zo weten we uit veel onderzoek dat stress een grote impact heeft op het ongeboren kind, en toch doen we daar amper iets mee. Ik heb zelf een kindje van 8 maanden en ik was tijdens mijn zwangerschap zéér goed omringd, maar toch werd mij en mijn partner amper gevraagd hoe het met ons ging. In Vlaanderen zijn de kerngezinnen op enkele generaties tijd heel erg geïsoleerd geraakt: ze zijn hun ‘village’ kwijt. Veel ouders zien een baby pas van dichtbij als ze er zelf één krijgen. Dan is het natuurlijk schrikken als je van die roze wolk valt.”

We mogen heel fier zijn op onze fysieke zorg, zelfs vóór de conceptie. Maar in de mentale zorg voor het ongeboren kind staan we ver achter

Wat kan de overheid doen?

Singh: “Veel meer investeren in psycho-educatie, in de eerste plaats bij vroedvrouwen, huisartsen en gynaecologen, gezien zij in Vlaanderen vooral in contact komen met toekomstige ouders. Zij moeten een veel beter inzicht krijgen in hoe ze mee kunnen waken over en ondersteuning bieden bij de psychosociale processen tijdens de zwangerschap, bevalling en daarna. Er vond vorig jaar een international congres plaats in India: Creating a new world from the womb. Daarmee is voor mij alles gezegd. Als je ervoor zorgt dat baby’s en ouders de eerste 1001 kritische dagen fysiek, mentaal en sociaal goed ondersteund worden, krijg je veel veerkrachtigere volwassenen. 
Persoonlijk ben ik alvast heel blij dat we – als alles volgens plan verloopt – dit najaar de kleine K kunnen uitbreiden. We worden dan opgesplitst in twee volwaardige dagziekenhuizen, één voor 8 kleuters en één voor 12 baby’s. Een heel belangrijke stap.”

Op uw zevende verhuisde u met uw ouders naar België vanuit India. Heeft dat een grote impact op uw leven en werk?

Singh: “Absoluut. Mijn roots bepalen mee wie ik ben, dat kan niet anders. Het was en is soms een grote uitdaging om verschillende perspectieven te leren verbinden met elkaar, maar ik ervaar het echt als een rijkdom. Het feit dat ik zo gebeten ben door preventie, heeft ook met mijn Indiase wortels te maken. In het oude Oosten werden artsen gewaardeerd om hoeveel mensen ze gezond konden houden, in plaats van te focussen op wie ze konden genezen. Bovendien werd daar heel holistisch gewerkt en dat doen we bij de kleine K ook: opvoeders, psychiaters en therapeuten werken hier allemaal naast elkaar, met een rijk palet aan therapieën. En natuurlijk heb ik vanuit mijn Indiase roots ook meegekregen hoe belangrijk de groep is. Hier in België ervaar ik toch dat het individu boven alles komt. Die vrijheid is belangrijk, maar verbondenheid is dat ook. It takes a village to raise a child, dat probeer ik echt uit te dragen.”

Als je ervoor zorgt dat baby’s en ouders de eerste 1001 kritische dagen fysiek, mentaal en sociaal goed ondersteund worden, krijg je veel veerkrachtigere volwassenen


Ontdek meer interviews in het overzicht
Binu Singh

Samen kansen creëren; dat is het verhaal van de jeugdhulp in Vlaanderen. We geven kinderen,  jongeren en gezinnen een duwtje in de rug, zodat ze snel zelf verder kunnen. Ofwel bieden we, indien nodig, langdurige ondersteuning aan; op maat en met respect voor de keuzes van jongeren en hun ouders. We versterken op een positieve manier hun eigen krachten. Zo kan iedereen bij de start van zijn of haar leven volwaardig deelnemen, waarbij de samenleving er zelf ook op vooruit gaat.

Jongeren en hun ouders kunnen rechtstreeks aankloppen bij tal van diensten voor begeleiding en advies. Wie nood heeft aan meer intensieve ondersteuning, kan aangemeld worden bij de toegangspoort die de geschikte hulp toewijst. Loopt de hulp vast of wordt deze niet aanvaard? Dan kan een gemandateerde voorziening (Ondersteuningscentrum Jeugdzorg of Vertrouwenscentrum Kindermishandeling) de hulpverlening mee opvolgen of nieuwe hulp opstarten. Bij een onverwachte crisis staat een netwerk van diensten klaar. Als de hulpverlening moeilijk verloopt, kunnen overleg en bemiddeling een uitweg bieden.

De Vlaamse jeugdhulp verbindt delen van 6 administraties uit het welzijns- en onderwijslandschap, en geeft ruimte aan tal van partners binnen een breed netwerk van professionals. Jongeren en hun ouders maken structureel deel uit van het beleid. Jeugdhulp bereikt elk jaar een paar honderdduizend kinderen en jongeren in Vlaanderen. Meer info: www.jongerenwelzijn.be, www.vaph.be, www.kindengezin.be, www.departementwvg.be, www.zorgengezondheid.be, onderwijs en vorming.

Deze tekst wordt vervangen.