Karolien Weemaes, adjunct federaal coördinator, licht GGZ-netwerken toe

Jongeren met psychische problemen hebben recht op één plan waar iedereen achter staat

Met de Netwerken Geestelijke Gezondheid Kinderen en Jongeren willen de bevoegde overheden een coherent en holistisch beleid uitbouwen, over de sectoren heen. Karolien Weemaes is adjunct federaal coördinator van dit nieuwe beleid.

Hoe bent u op deze stoel beland?

Karolien Weemaes: “Eigenlijk heb ik een heel logisch traject gevolgd. Ik heb altijd interesse gehad voor humane wetenschappen, en na een kleine omweg – enkele maanden Toegepaste Economische Wetenschappen, onder lichte druk van mijn ouders – koos ik voor een opleiding Criminologie. Mijn keuzevakken koos ik ook heel gericht: die zaten altijd in de sfeer van psychologie en psychiatrie. Het functioneren van de mens en zijn psyche heeft me altijd geboeid.”

Waar kwam u na uw studies terecht?

Weemaes: “Bij het overlegplatform geestelijke gezondheidszorg van de provincie Antwerpen. De ideale plek om de sector en de bevoegde overheden goed te leren kennen. Dat is intussen al acht jaar geleden. Nadien kon ik aan de slag als netwerkcoördinator geestelijke gezondheidszorg voor volwassenen, in de regio Antwerpen. En daarna werd ik plaatsvervangend coördinator van het overlegplatform. Tot ik een halfjaar geleden gecontacteerd werd door Bert Plessers, de toenmalige adjunct federaal coördinator nieuw beleid kinderen en jongeren. Hij vermoedde dat ik het juiste profiel had om die functie over te nemen, en dat bleek wel te kloppen.”

Wilde je graag met kinderen en jongeren werken?

Weemaes: “Op zich maakte dat voor mij niet zoveel uit. Er is nog zoveel werk om initiatieven op elkaar af te stemmen en beter te doen samenwerken, in elke leeftijdsgroep. Maar het is natuurlijk wel een dankbare doelgroep: we proberen in te grijpen in een vroeg stadium van geestelijk onwelzijn, in de hoop te voorkomen dat problemen escaleren. In het begin was het wel even wennen: ik kende de wereld van geestelijke gezondheidszorg voor volwassenen zeer goed, maar bij minderjarigen komen er verschillende partners bij: onderwijs bijvoorbeeld, en Kind&Gezin. Maar na al die maanden heb ik wel het gevoel dat ik ingewerkt ben.”

Kinderen en jongeren zijn een dankbare doelgroep: we proberen in te grijpen in een vroeg stadium van geestelijk onwelzijn, in de hoop te voorkomen dat problemen escaleren

Wat moeten we ons precies voorstellen bij deze netwerken geestelijke gezondheidszorg?

Weemaes: “Het zijn samenwerkingsverbanden tussen allerlei diensten en voorzieningen die een aanbod rond welzijn en geestelijke gezondheid voor kinderen of jongeren hebben. De behoeften van de kinderen en jongeren omtrent hun geestelijke gezondheid staan centraal, maar het draait niet enkel om gespecialiseerde zorg. Ook de verschillende diensten uit de jeugdhulp, zoals de CLB’s en Kind & Gezin, maken deel uit van de netwerken, en daarnaast ook actoren uit het maatschappelijke veld, zoals cultuur- en sportverenigingen. We vertrekken vanuit een holistische benadering: er wordt niet alleen gefocust op de geestelijke gezondheid van de cliënten, maar op al hun levensdomeinen. Er bestaat al een groot aanbod, maar dat is helaas zeer versnipperd. Het is de bedoeling om een globale en integrale benadering te creëren. Over alle levensdomeinen heen, met alle relevante sectoren en disciplines.

Op dit moment zijn er 11 netwerken in ons land: één per provincie en één voor het Brussels Hoofdstedelijk gewest. Voor elk netwerk is er een netwerkcoördinator of een team van netwerkcoördinatoren, wiens werkzaamheden vanuit de federale overheid worden opgevolgd en indien nodig bijgestuurd: de Gids (www.psy0-18.be) is hierbij onze toetssteen. En de coördinatoren brengen de verschillende partners per provincie rond de tafel.” 

Wat hebben de netwerken totnogtoe al verwezenlijkt?

Weemaes: “Ze werken op basis van verschillende zorgprogramma’s, waarvoor telkens projectoproepen worden gelanceerd. De eerste draaide rond crisiszorg: alle partners binnen het netwerk die een crisisaanbod hebben, werden op elkaar afgestemd en geïntegreerd. En vanuit de FOD kwamen extra middelen, onder meer voor  mobiele crisisteams: die doen zelf interventies, maar ze coachen ook de meer generalistische diensten om met kinderen met (een vermoeden van) psychische problemen  om te gaan. Die expertise-uitwisseling is een zeer belangrijke opdracht van de netwerken.

Daarna zijn nog andere zorgprogramma’s gevolgd: langdurige zorg, intersectorale consult en liaison (gericht op expertise-uitwisseling) en hulp voor kinderen en jongeren met een dubbeldiagnose (psychische problemen en een verstandelijke beperking).  Die projecten zijn op één na allemaal goedgekeurd en opgestart, al gebeurt de implementatie in de praktijk natuurlijk stapsgewijs.”

Waarom zijn de mobiele crisisteams zo belangrijk?

Weemaes: “Het bestaande aanbod was ontoereikend: de vraag was groter dan het aanbod. Al heeft dat niet alleen met een tekort aan capaciteit te maken. Ook de versnippering van het hulplandschap speelde een rol, plus het feit dat de verschillende diensten niet goed op elkaar afgestemd waren. En bovendien bestonden er geen mobiele teams: je kon enkel terecht bij ambulante of residentiële hulp. Er waren wel wat projectjes die outreachend werkten, maar dat bleef zeer minimaal. Terwijl dat outreachend werken toch heel belangrijk is. Die ommezwaai wordt nu gemaakt in de geestelijke gezondheidszorg: als mensen hulp kunnen krijgen in hun natuurlijke omgeving, moet je hen daar laten. Dan kun je veel doeltreffender werken rond alle levensdomeinen.”

Geldt dat voor kinderen en jongeren nog meer?

Weemaes: “Nog meer weet ik niet, maar het is wel zeer belangrijk voor deze doelgroep. Als ze thuis geholpen kunnen worden, hoeven ze hun school niet te onderbreken en blijven hun ouders en andere steunfiguren nauw betrokken. Let op, we zijn niet tegen residentiële behandeling. Soms is die nodig, maar niet altijd. En dus moeten we het vermijden waar mogelijk. Voor de cliënten zelf, maar ook voor de maatschappij: ambulante en mobiele hulp zijn nu eenmaal goedkoper. En we moeten de bestaande middelen toch zo effectief mogelijk inzetten.”

Als kinderen en jongeren thuis geholpen kunnen worden, hoeven ze hun school niet te onderbreken en blijven hun ouders en andere steunfiguren nauw betrokken

Hoe werken de crisisteams praktisch?

Weemaes: “De teams worden per netwerk samengesteld. Al stimuleren wij wel de creatie van nieuw-samengestelde teams: medewerkers van een Centrum voor Geestelijke Gezondheidszorg (CGG), een Centrum Algemeen Welzijnswerk (CAW), een VAPH-voorziening, een K-dienst… Zo wordt het delen en het samen inzetten van expertise en praktijkervaring nog gestimuleerd.

In Vlaanderen hebben we ervoor gekozen om de mobiele crisisteams te integreren met de crisismeldpunten jeugdhulp. Daar komen de aanmeldingen binnen, er wordt aan vraagverheldering gedaan en vervolgens bekeken wat nodig is. Soms kunnen de klassieke diensten binnen jeugdhulp ermee verder, maar bij (vermoeden van) een psychische stoornis is nu een korte link met de gespecialiseerde geestelijke gezondheidszorg mogelijk.”

In de netwerken lopen de federale en Vlaamse bevoegdheden door elkaar. Hoe vlot die samenwerking?

Weemaes: “Dat is geen makkelijke oefening, omdat er constant afgestemd moet worden. Zowel op het niveau van de overheden, als dat van de netwerken en de cliënten. België is nu eenmaal een complex land. De Gids, waarin de krijtlijnen van de hervorming omschreven staan, is ondertekend door negen ministers. Dat zegt genoeg. Al hebben we veel geleerd uit de hervorming voor de netwerken geestelijke gezondheid voor volwassenen.”

België is een complex land. De Gids, waarin de krijtlijnen van de hervorming omschreven staan, is ondertekend door negen ministers. Dat zegt genoeg

Wat zoal?

Weemaes: “Bij de netwerken voor volwassenen werd de regio-afbakening vrij gelaten, waardoor er een lappendeken ontstond, en bovendien in een eerste fase niet heel het land ‘afgedekt’ werd. Bij minderjarigen is gekozen voor een provinciale verdeling. Daarnaast is ook een periodiek overleg ingelast: we zitten regelmatig samen met de verschillende overheden en agentschappen, om het beleid af te stemmen. Als er verschillende visies zijn, voel je dat heel snel op het terrein. Het is ontzettend belangrijk om de violen gelijk te stemmen. Maar we hebben niet te klagen: in deze legislatuur verloopt dat allemaal zeer vlot.”

Zelf coördineert u alles vanuit de FOD Volksgezondheid. Hoe gaat dat in zijn werk?

Weemaes: “Ik krijg geregeld vragen van de netwerkcoördinatoren: financiële bijvoorbeeld, maar ook juridische, zorginhoudelijke of organisatorische. Maandelijks kom ik met alle coördinatoren samen in Brussel, en dan ook nog eens per taalgroep. En ik ga regelmatig op werkbezoek, ik neem geregeld deel aan de netwerkcomités (de belangrijkste sturingsorganen binnen de netwerken) en heb bilaterale gesprekken met de netwerkcoördinatoren. Zij spelen een cruciale rol: ze faciliteren en coördineren het hele proces binnen hun provincie en communiceren ook met alle partners.

Daarnaast werken we binnen de FOD verder aan de hervorming, op wetenschappelijke basis: er worden indicatoren gezocht, gegevens verzameld op basis waarvan we de effecten van het nieuwe beleid kunnen opvolgen… Zo hopen we op termijn tot een goede programmatie te komen. Pas als je een efficiënte en effectieve inzet van de huidige zorgcapaciteit hebt gerealiseerd, weet je of die al dan niet volstaat en of er extra geïnvesteerd moet worden. Dit alles om aan de noden en behoeften van de kinderen en jongeren te voldoen, in al hun levensdomeinen. Zij staan altijd centraal.”

Een belangrijk pijnpunt in de geestelijke gezondheidszorg blijven de wachtlijsten.

Weemaes: “Dat klopt, maar binnen de hervorming wordt wel extra geïnvesteerd. Met de mobiele teams bijvoorbeeld, maar ook binnen de andere zorgprogramma’s. En anderzijds vinden we het belangrijk om alle sectoren én het maatschappelijke leven mee te nemen in ons verhaal, zodat er synergieën ontstaan. Het is belangrijk dat diensten als het CAW of het CLB voldoende tools krijgen om nog beter om te gaan met kinderen en jongeren met psychische problemen. Zo kunnen we vroegtijdig detecteren en ingrijpen, voor de situatie escaleert. Daar zal onze volgende projectoproep trouwens rond draaien: vroegdetectie en –interventie.”

Pas als je een efficiënte en effectieve inzet van de huidige zorgcapaciteit hebt gerealiseerd, weet je of die al dan niet volstaat en of er extra geïnvesteerd moet worden

We hebben al veel over het beleid gepraat. Maar wat verandert dit voor de jongeren zelf?

Weemaes: “Het is de bedoeling dat ze door alle hulpverleners – van psychologen in een CGG tot CLB-begeleiders en jeugdrechters – benaderd worden vanuit één gemeenschappelijk zorg- en handelingsplan waaruit duidelijk blijkt wie wat doet. Dat alle neuzen in dezelfde richting staan. Al besef ik dat zoiets tijd vraagt: de netwerken zijn in 2015 opgericht en moeten nog groeien. Ik denk dat we pas over vijf à tien jaar grote structurele verschillen zullen zien op het niveau van de cliënten.”

Worden zij ook gehoord in dit hele verhaal?

Weemaes: “Absoluut. We vertrekken altijd vanuit hun leefwereld, hun noden en behoeften. Op overheidsniveau wordt samengewerkt met cliënt- en familieverenigingen en we stimuleren de netwerken expliciet om dat ook te doen.”


Ontdek meer interviews in het overzicht
Karolien Weemaes

Samen kansen creëren; dat is het verhaal van de jeugdhulp in Vlaanderen. We geven kinderen,  jongeren en gezinnen een duwtje in de rug, zodat ze snel zelf verder kunnen. Ofwel bieden we, indien nodig, langdurige ondersteuning aan; op maat en met respect voor de keuzes van jongeren en hun ouders. We versterken op een positieve manier hun eigen krachten. Zo kan iedereen bij de start van zijn of haar leven volwaardig deelnemen, waarbij de samenleving er zelf ook op vooruit gaat.

Jongeren en hun ouders kunnen rechtstreeks aankloppen bij tal van diensten voor begeleiding en advies. Wie nood heeft aan meer intensieve ondersteuning, kan aangemeld worden bij de toegangspoort die de geschikte hulp toewijst. Loopt de hulp vast of wordt deze niet aanvaard? Dan kan een gemandateerde voorziening (Ondersteuningscentrum Jeugdzorg of Vertrouwenscentrum Kindermishandeling) de hulpverlening mee opvolgen of nieuwe hulp opstarten. Bij een onverwachte crisis staat een netwerk van diensten klaar. Als de hulpverlening moeilijk verloopt, kunnen overleg en bemiddeling een uitweg bieden.

De Vlaamse jeugdhulp verbindt delen van 6 administraties uit het welzijns- en onderwijslandschap, en geeft ruimte aan tal van partners binnen een breed netwerk van professionals. Jongeren en hun ouders maken structureel deel uit van het beleid. Jeugdhulp bereikt elk jaar een paar honderdduizend kinderen en jongeren in Vlaanderen. Meer info: www.jongerenwelzijn.be, www.vaph.be, www.kindengezin.be, www.departementwvg.be, www.zorgengezondheid.be, onderwijs en vorming.

Deze tekst wordt vervangen.