Jo Van Hecke, specialist nieuwe media, pleit voor mediawijsheid

Kijk samen met kwetsbare jongeren naar Facebook en praat erover

Binnen de jeugdhulp is veel angst om zich op het terrein van sociale media te begeven. Nochtans is het volgens Jo Van Hecke van Tonuso eenvoudig: ga samen met jongeren online. Al is vorming van hulpverleners cruciaal. “Ik zie soms Facebookpagina’s van organisaties uit de jeugdhulp, met open en bloot alle ‘vrienden’: cliënten en ex-cliënten. Dat is toch pure schending van de privacy?”

U bent dé specialist nieuwe media binnen de jeugdhulp. Hoe is die interesse ontstaan?

Jo Van Hecke: “De interesse voor bijzondere jeugdzorg heb ik met de paplepel meegekregen. Mijn moeder, nog altijd een zeer geëngageerde vrouw, was de voorzitter van het eerste Comité in Dendermonde. En in onze keuken is de raad van bestuur ontstaan van vzw Habbekrats, een bekende jeugdwerking. Al van jongsaf ging ik helpen met die vrijwilligers. Maar professioneel was het een late roeping. Ik heb eerst jarenlang in de privésector gewerkt, tot ik op mijn 30e opnieuw ging studeren. Eerst orthopedagogie, later klinische psychologie. Intussen ben ik al enkele jaren afgestudeerd als contextueel relatie- en gezinstherapeut. De kracht van gezinnen heeft me altijd gefascineerd: zelfs wanneer er van alles misloopt, kun je samen met het gezin nog veel herstellen. In het begin heb ik nog met niet-begeleide minderjarigen gewerkt, nadien met gezinnen. En tien jaar geleden kon ik bij Tonuso terecht. Daar begeleidde ik jongeren in de contextbegeleiding, maar vanaf het begin raakte ik ook betrokken bij een Europees onderzoeksproject naar sociale media en de invloed op jongeren in problematische opvoedingssituaties. Samen met collega’s heb ik het Belgische pilootproject gecoördineerd, en we konden bewijzen dat het werkt. Je moet jongeren nu eenmaal zoeken waar ze zijn, en vandaag zijn ze bijna continu online.”

Intussen is Tonuso uitgegroeid tot dé referentie voor e-hulp in de jeugdzorg.

Jo Van Hecke: “Eigenlijk is Tonuso gewoon een organisatie binnen de bijzondere jeugdzorg. Wij zijn hier tien jaar geleden vrij toevallig mee begonnen, en nu zijn we nog altijd de enige organisatie die zich continu inzet rond projecten van e-inclusie.  Na verloop van tijd word je dan ‘dé referentie’. Maar om het cynisch te stellen: in het land der blinden is éénoog koning.”

Elke hulpverlener zal je vertellen dat de beste gesprekken met jongeren in het dagelijkse leven plaatsvinden: in de auto, aan de afwas… Het is dus cruciaal om in hun dagelijkse leven te duiken: de online wereld

U hebt zelf wel een methode voor e-hulp ontwikkeld.

Van Hecke: “Dat klopt. Al is die ook relatief eenvoudig. Ik ga samen met een jongere aan de computer zitten en we praten over wat die jongere online doet. Wie is hij, wie toont hij online en waarom. De computer is gewoon een object, een soort medium. Elke hulpverlener zal je vertellen dat de beste gesprekken met jongeren in het dagelijkse leven plaatsvinden: in de auto, aan de afwas… Het is dus cruciaal om in hun dagelijkse leven te duiken – de online wereld dus – en te kijken wat je ziet.

Maar met de jaren heb ik die methode wel moeten scherpstellen. Vooral privacy is een belangrijk discussiepunt, waar veel jongeren en volwassenen belabberd mee omspringen. Zo is Facebook een goed programma om te observeren, maar absoluut niet om te communiceren. Hetzelfde geldt voor Whatsapp: niet doen. Je kunt de privacy van kinderen en jongeren niet garanderen. Daarvoor gebruik ik liever andere apps, zoals Signal.

De laatste jaren ben ik bijna voltijds bezig met vormingen rond e-hulp en mediawijsheid. Voor hulpverleners, maar ook voor de jongeren zelf. Zo werk ik nu mee aan een mooi project van Jongerenwelzijn: ik ga spreken in de gemeenschapsinstellingen, waar veel meisjes verblijven die werden geconfronteerd met tienerpooiers. Onlangs gaf ik nog zo’n workshop in Beernem. Ik vroeg hen wat ze van zichzelf willen tonen, en waarom ze zoveel prijsgeven. Het antwoord van sommige meisjes was frappant. Mijnheer, ik moet er zo uitzien, want wie kijkt er anders naar mij?

Is mediawijsheid extra belangrijk voor kwetsbare jongeren?

Van Hecke: “Ik vermoed dat we binnen dit en tien jaar eindelijk zullen inzien dat mediawijsheid belangrijk is voor ons allemaal. Want we beseffen echt niet waarmee we bezig zijn. Ten eerste is er dat probleem rond privacy. Maar ook hatespeech is een zeer ernstige kwestie. Neem nu de verkiezing van Trump in Amerika. Of je daar nu voor of tegen bent, maakt niet uit. Maar wat de mensen daarover schrijven, kan later in hun gezicht ontploffen. Mensen zijn online veel harder omdat ze elkaars gezicht niet zien. Ook jongeren kunnen heel fulminerend met elkaar omgaan. Ik zie in leefgroepen soms heel vriendelijke jongens die online stoer doen en bijvoorbeeld filmpjes van IS liken. Dat zijn natuurlijk jeugdzonden, maar over tien jaar vind je die nog altijd terug. Als zij in de toekomst hun eigen weg moeten zoeken, kan hun online verleden hen blijven achtervolgen.”

Ik zie in leefgroepen soms heel vriendelijke jongens die online stoer doen en bijvoorbeeld filmpjes van IS liken. Dat zijn jeugdzonden, maar over tien jaar vind je die nog altijd terug

Bij e-hulp denken we ook spontaan aan chathulp. Hoe staat u daar tegenover?

Van Hecke: “Dat is een krachtig middel, al wordt het in Vlaanderen bijna uitsluitend in de eerstelijnshulp gebruikt. Bij Awel bijvoorbeeld. Het is een goede manier om thema’s in de taboesfeer bespreekbaar te maken, omdat alles anoniem gebeurt.”

Maar de factor menselijkheid is toch cruciaal in de hulpverlening? Verdwijnt die niet door dat computerscherm?

Van Hecke: “Dat is een gedachte die vooral leeft bij mensen met koudwatervrees. Maar zo’n online ontmoeting is vooral een goede eerste stap. Soms zijn jongeren daarmee geholpen en kunnen ze alleen, of samen met hun netwerk, verder. Maar anders kunnen ze vlot doorverwezen worden naar een andere dienst. Online hulp leidt vaak tot face-to-face-contacten.

Zelf werk ik vooral op de tweede of derde lijn. Omdat chathulp niet onze core business is – zoals bijvoorbeeld wél bij JAC-chat of Awel – kunnen wij niet genoeg investeren in aangepaste software. Daarom gebruik ik de computer als medium om met jongeren te werken.”

Is het moeilijk om hun vertrouwen te winnen?

Van Hecke: “Die vraag krijg ik vaak van hulpverleners. Ze zijn soms verbaasd omdat jongeren me spontaan laten meekijken in hun online profielen, terwijl zij zelf niets mogen zien. Maar dat heeft alles met de juiste attitude te maken. Ik ben geen detective, maar een hulpverlener. Ik wil niets te weten komen, ik wil gewoon helpen. Eenmaal jongeren dat inzien, laten ze me spontaan meekijken. Ik zal nooit commentaar geven op wàt ze online plaatsen, maar wel met hen praten over hoe en waarom ze bepaalde zaken doen. En heel belangrijk: ik zal nooit naar het online profiel van een jongere kijken als die er niet bij is.”

Schrik je nog vaak van het online gedrag van jongeren?

Van Hecke: “Ik schrik vooral van hoe zij aan hun lot worden overgelaten. Ouders en andere steunfiguren zijn veel te weinig betrokken bij het online leven van kinderen en jongeren. Ik vind dat je hen zo jong mogelijk moet introduceren in de online wereld, maar wel onder begeleiding. Want het lijkt allemaal heel vrijblijvend en makkelijk, maar dat is het niet. Daarom doen jongeren zaken die echt niet oké zijn: cyberpesten, naaktfoto’s plaatsen, valse profielen aanmaken. In onze leefgroep zitten meisjes van acht jaar met een stuk of zeven verschillende Facebookprofielen. En zij begrijpen niet wat daar mis mee is.”

Ik ben geen detective, maar een hulpverlener. Ik wil niets te weten komen, ik wil gewoon helpen. Eenmaal jongeren dat inzien, laten ze me spontaan meekijken

En hoe zit het moet het gedrag van hulpverleners?

Van Hecke: “Dat is helaas niet veel beter. Er is veel goede wil, maar de kennis ontbreekt vaak. Vandaag zag ik op Facebook nog een profiel van een leefgroep van een jeugdvoorziening, met naam en toenaam. Ook de 39 vrienden waren zichtbaar: allemaal begeleiders, cliënten en ex-cliënten. Het vierde privacybeginsel is nochtans duidelijk: je geeft geen gegevens door aan derden. Maar Facebook is natuurlijk ook een derde!

Begrijp me niet verkeerd: het is goed dat hulpverleners online gaan en de wereld van hun cliënten kennen. Ze doen dat allemaal uit goede bedoelingen, maar op een dag ontploft het in hun gezicht. En het jammere is dat ze dan de boeken toedoen en niets meer met die hele online wereld te maken willen hebben. Wat natuurlijk een gemiste kans is. We hebben vooral nood aan vorming, en dat lijkt me een belangrijke taak voor Jongerenwelzijn.

Zijn er nog fouten die hulpverleners online maken?

Van Hecke: Helaas spelen ze veel te vaak detective en gaan ze achter de rug van jongeren en ouders op zoek naar informatie. Dat is een absolute no go. Want soms ontdek je vreemde zaken, maar dat zijn altijd momentopnames. En die ga je dan toch interpreteren, dat is menselijk. Wanneer je dan de volgende keer tegenover die jongere zit, zie je hem anders.

Tijdens vormingen laat ik vaak een slide zien met een reeks vind-ik-leuk’s op Facebook. Ik vraag dan aan de hulpverleners van wie die zouden zijn. Dan hoor ik de gekste dingen. Meestal denken ze aan een persoon die depressief is en denkt aan zelfdoding. Ze schrikken enorm wanneer ik toegeef dat het mijn eigen likes zijn. Tot ik uitleg waarom: ja, ik heb de Zelfmoordlijn geliket, omdat ik onderzoek heb gedaan naar suïcidepreventie. Ja, ik heb het CAW geliket, omdat ik met die organisatie samenwerk. Enzovoort”

Je hebt het vaak over Facebook, maar jongeren zitten op zoveel websites en apps. Hoe houd je dat bij?

Van Hecke: “Niet. Ik werk met wat ik hoor. Als een jongere me bijvoorbeeld vertelt dat hij gehackt is op MSP…”

Helaas spelen hulpverleners veel te vaak detective en gaan ze achter de rug van jongeren en ouders op zoek naar informatie. Dat is een absolute no go

MSP?

Van Hecke: “Movie Star Planet, een platform waar iedereen een filmster is. Toegegeven: ik heb dat ook moeten opzoeken en ik heb zelfs een account aangemaakt om het te ontdekken. Maar dan vraag ik gewoon aan die jongere wat er gebeurd is. Blijkbaar was zijn wachtwoord gehackt. Na wat doorvragen bleek dat een veel te eenvoudig wachtwoord te zijn.

Of neem Snapchat. Onlangs gaf ik een vorming aan een groep meisjes en een van hen had 300 snaps genomen op anderhalf uur tijd. Dan ben ik oprecht verwonderd. Waarom doet zo’n meisje dat? Ze gaf eerlijk toe dat ze verslaafd was. Dat is de perfecte basis voor een gesprek.”

En toch schrikt het veel hulpverleners af, omdat ze niet kunnen volgen.

Van Hecke: “Nochtans is mijn methode precies hetzelfde als alle andere: kijken, luisteren en vragen stellen. Meer doe ik niet. Al begrijp ik dat niet alle hulpverleners met jongeren aan de computer willen zitten. Er zijn al zoveel kaders: geweldloos verzet, Signs of Safety… Als in elk team een paar mensen zitten die met e-hulp aan de slag kunnen, is dat prima.”

Wat kan het beleid volgens u doen?

Van Hecke: “Vooral veel meer vorming aanbieden. Om de privacy van jongeren te verzekeren, zijn er veiligheidsconsulenten die helpen bij de data-opslag van voorzieningen. Daar worden zeer veel middelen in gepompt, en terecht. Maar tegelijkertijd gooien hulpverleners uit leefgroepen al hun cliënten open en bloot op Facebook. Nogmaals: dat gebeurt niet uit kwade wil. Ze beseffen gewoon niet dat er iets mis mee is.

En verder denk ik ook dat er duidelijke standaarden moeten komen over technologie in de jeughulp. In sommige organisaties mag alles, terwijl jongeren in andere organisaties hun gsm moeten afgeven en niet op de computer mogen. Alles hangt af van de mening van de directie of staf. Ik ben ervan overtuigd dat je technologie moet toelaten. Waarom moet een jongere uit de jeugdhulp uitgesloten worden? Al zijn vrienden op school zijn op hun smartphone bezig, maar hij mag niet? Dat is bijna een schending van de mensenrechten. Maar je hebt wel een beleid nodig. Je moet die jongeren goed ondersteunen, zodat ze geen stomme dingen doen. Volgens mij is dat perfect mogelijk met voldoende vorming en ondersteuning. Er is nog werk in de toekomst bij de integrale jeugdhulp.”


Ontdek meer interviews in het overzicht
Jo Van Hecke

Samen kansen creëren; dat is het verhaal van de jeugdhulp in Vlaanderen. We geven kinderen,  jongeren en gezinnen een duwtje in de rug, zodat ze snel zelf verder kunnen. Ofwel bieden we, indien nodig, langdurige ondersteuning aan; op maat en met respect voor de keuzes van jongeren en hun ouders. We versterken op een positieve manier hun eigen krachten. Zo kan iedereen bij de start van zijn of haar leven volwaardig deelnemen, waarbij de samenleving er zelf ook op vooruit gaat.

Jongeren en hun ouders kunnen rechtstreeks aankloppen bij tal van diensten voor begeleiding en advies. Wie nood heeft aan meer intensieve ondersteuning, kan aangemeld worden bij de toegangspoort die de geschikte hulp toewijst. Loopt de hulp vast of wordt deze niet aanvaard? Dan kan een gemandateerde voorziening (Ondersteuningscentrum Jeugdzorg of Vertrouwenscentrum Kindermishandeling) de hulpverlening mee opvolgen of nieuwe hulp opstarten. Bij een onverwachte crisis staat een netwerk van diensten klaar. Als de hulpverlening moeilijk verloopt, kunnen overleg en bemiddeling een uitweg bieden.

De Vlaamse jeugdhulp verbindt delen van 6 administraties uit het welzijns- en onderwijslandschap, en geeft ruimte aan tal van partners binnen een breed netwerk van professionals. Jongeren en hun ouders maken structureel deel uit van het beleid. Jeugdhulp bereikt elk jaar een paar honderdduizend kinderen en jongeren in Vlaanderen. Meer info: www.jongerenwelzijn.be, www.vaph.be, www.kindengezin.be, www.departementwvg.be, www.zorgengezondheid.be, onderwijs en vorming.

Deze tekst wordt vervangen.