Jean-Pierre Vanhee over de nieuwe rol van de afdeling ACT

Continuïteit is ons moeilijkste doel, maar wel het belangrijkste

De afdeling Intersectorale toegangspoort is van naam veranderd. Voortaan is het de afdeling Continuïteit en toegang. En daar zit een hele omwenteling achter, vertelt Jean-Pierre Vanhee, algemeen directeur bij Jongerenwelzijn. ‘We weven een dicht web doorheen de jeugdhulp.’

U bent nu drie jaar algemeen directeur bij Jongerenwelzijn. Hoe kwam u hier terecht?

Jean-Pierre Vanhee: “Voor ik in 2002 overstapte naar de Vlaamse overheid, was ik directeur in een school van het buitengewoon onderwijs. Onze leerlingen waren vooral kinderen met gedrags- en emotionele stoornissen. Heel boeiend, maar na vijftien jaar vond ik het tijd voor iets nieuws. Toen ik de kans kreeg om projectleider Integrale Jeugdhulp te worden in de regio Gent-Meetjesland, heb ik die gegrepen. Ik ben dus vanaf het begin zeer nauw betrokken bij de vernieuwing van de jeugdhulp. Nadien werd ik beleidscoördinator voor Oost-Vlaanderen en later projectleider Integrale Jeugdhulp op het Vlaamse niveau. En sinds 2013 ben ik dus algemeen directeur bij Jongerenwelzijn.”

Vanwaar die interesse in kinderen en jongeren?

Vanhee: “Ik heb filosofie gestudeerd en indertijd was ik al zeer begaan met maatschappelijk kwetsbare groepen. Kinderen en jongeren met gedrags- en emotionele problemen zijn geen makkelijke en helaas ook geen geliefde groep. Ze vallen snel uit de boot in onze maatschappij die erg gericht is op succes. Nochtans is er een hele groep die moeite heeft om de snelle tred bij te houden. Daarnaast vond ik het altijd boeiend om – tijdens mijn werk als schooldirecteur – nauw betrokken te zijn bij de jongeren. Ik was vaak ontroerd door hun persoonlijke verhalen, maar ook door hun non-conformistische manier van zijn. Jongeren kunnen zich soms vreemd, en helaas soms ook agressief, opstellen. Maar als je daardoor kijkt, zie je hun kwetsbaarheid én hun kracht.”

Was de overgang naar de ‘onpersoonlijke’ overheid dan niet groot?

Vanhee: “Zo heb ik dat toch nooit ervaren. Dat stereotiepe beeld van de overheid als een kille kamer of ivoren toren heb ik nooit gehad. Ik ben altijd warm onthaald door collega’s. En ik vind het een uitdaging om betere structuren uit te bouwen die passen in de complexe realiteit. Zo kan ik toch nog bijdragen tot een betere situatie voor deze doelgroep en bij uitbreiding voor alle kinderen met hulpvragen.”

De voormalige afdeling Intersectorale toegangspoort veranderde onlangs in de afdeling Continuïteit en toegang. Vanwaar die wijziging?

Vanhee: “In het decreet Integrale jeugdhulp uit 2014 stond een zestal grote doelstellingen. Voldoende beschikbare hulp is uiteraard cruciaal, maar continuïteit is dat zeker ook. Het is waarschijnlijk ons moeilijkste doel – misschien is het zelfs een utopie – maar misschien wel ons belangrijkste. We moeten een dicht web weven doorheen het hele landschap van jeugdhulp, waarin bijna iedereen op elk niveau betrokken is. En daarnaast is er nog het onderdeel ‘Toegang’. Dat zit in het DNA van onze afdeling. Als we dat nu ook nog versterken voor de rechtstreeks toegankelijke hulp – die nu nog te chaotisch en onduidelijk is – dan zijn we een stap dichter bij de ideale wereld.”

Breuken in de zorg zijn een klacht die geregeld komt bovendrijven. Hoe kunnen we die voorkomen?

Vanhee: “Dat is natuurlijk de hamvraag. Hulpcontinuïteit is, zoals gezegd, cruciaal maar ook heel moeilijk. Uit de literatuur blijkt dat er vier belangrijke aspecten aan vasthangen. Ten eerste moeten we informatie over cliënten vlot kunnen uitwisselen tussen verschillende diensten. Daarvoor hebben we nu ons informatiesysteem INSISTO. Daarnaast is het belangrijk dat het hele zorglandschap helder in kaart wordt gebracht: om vlot van de ene vorm naar de andere te schuiven, moet iedereen weten wat er bestaat. Ten derde moet die zorgcontinuïteit ook inhoudelijk kloppen: verschillende hulpverleners mogen elkaar niet tegenspreken of tegenwerken. En tenslotte is er nood aan een continue relatie met hulpverleners: daarvoor zijn vertrouwenspersonen zeer belangrijk. In onze afdeling is dat bijvoorbeeld de aanmelder, die elke jongere blijft opvolgen.”

“We organiseren nu geregeld ‘netwerktafels’ om te voorkomen dat jongeren op hun 18e aan hun lot worden overgelaten”

Hebt u een concreet voorbeeld van die inspanningen?

Vanhee: “Een voorbeeld dat iedereen wel zal kennen, is de moeilijke kwestie van jongvolwassenen. In september raakte het tragische verhaal van Jordy bekend, een 19-jarige jongen die stierf van ontbering in de Gentse Blaarmeersen. Het is natuurlijk cruciaal dat er geen breuk is tussen de zorg die minderjarigen krijgen en de zorg die daarna volgt. Helaas zijn in het verleden een aantal  jongvolwassenen wat aan hun lot overgelaten. Maar de laatste maanden hebben we extra ons best gedaan om dat te voorkomen. Er zijn al een aantal overlegmomenten of zogenaamde ‘netwerktafels’ geweest voor jongeren van 18, 19 jaar. Dat is noodzakelijk, want vaak weet een voorziening niet waar een jongere naartoe trekt, of waar hij vroeger verbleef.”

Hoe groot is de inspraak van de jongeren zelf?

Vanhee: “Steeds groter: het is echt de bedoeling dat er samen wordt gedacht, doelstellingen opgesteld en geëvalueerd, trajecten uitgetekend. Op dit eigenste moment vindt een grote omwenteling plaats en dat stemt me zeer positief. Op de verschillende niveaus raken we doordrongen van het idee dat cliënten zelf aan het stuur moeten zitten en dat wij rondom hen een ondersteunend netwerk vormen. Op basis van hun vragen en behoeften. Dat uit zich bijvoorbeeld bij de persoonsvolgende financiering voor mensen met een beperking. Maar ook bij de jeugdrechtbank wordt nu volgens dat principe gewerkt. Zelfs bij zware zaken, zoals misbruik, wordt in de eerste plaats gekeken naar wat de jongere vraagt. Uiteraard worden zulke jongeren niet aan hun lot overgelaten, er wordt zeer aanklampend gewerkt. Maar toch: de rechter zal goed luisteren naar de beleving en de ideeën van de jongere zelf.”

Vroeger moesten trajectbegeleiders voor continuïteit zorgen. Nu hebben jullie het expliciet over trajectbegeleiding. Vanwaar die omslag?

Vanhee: “In 2003 werden tijdens de projectfase voor anderhalf jaar  trajectbegeleiders in het leven geroepen. Het was de bedoeling dat één en dezelfde persoon een bepaalde jongere van bij de start (vaak erg jong) zou bijstaan, tot die jongere 18 werd. Maar na verloop van tijd bleek dat een totaal onmogelijk concept. Ten eerste omdat veel hulpverleners geen jaren op dezelfde plek blijven werken, maar ook omdat er soms conflicten ontstonden met andere hulpverleners, die eerder door zo’n jongere in vertrouwen werden genomen. Bovendien was het een kwestie van mandaten: hoe voorkom je dat zo’n trajectbegeleider te veel macht krijgt? Hoe laat je hem beslissen over cruciale zaken, zoals residentiële opvang? Uiteraard zit er wel een zeer legitieme – en zelfs existentiële – vraag van jongeren achter: zij willen iemand die naast hen staat, een soort vervangouder. Maar daarvoor is een vertrouwenspersoon veel geschikter: die biedt wel continuïteit, maar heeft geen beslissingsrecht. Daarom hebben we het nu dus over trajectbegeleiding: verschillende hulpverleners die met zorg omgaan met jongeren. Zij moeten verzekeren dat er geen ‘gaten’ vallen.”

Nog een bedreiging voor de continuïteit is het eeuwige plaatsgebrek. Hoe pakt u dat aan?

Vanhee: “Ik ben er al langer van overtuigd dat ook dit een genuanceerd probleem is. Ten eerste: het aanbod creëert de vraag. En ten tweede ben ik een zeer pragmatisch mens. Uiteraard zou ik graag meer middelen krijgen voor Jongerenwelzijn. Maar minister Vandeurzen – een van de weinigen in deze regering die meer middelen heeft kunnen vrijmaken – heeft bepaalde maatschappelijke keuzes gemaakt: een groot deel van de extra middelen gaat naar het VAPH en ook vrij veel naar ouderenzorg. Voor jeugdhulp had het iets meer mogen zijn. Een deel van de middelen voor het VAPH zal ook ingezet worden voor jongeren met een complexe problematiek en bij uitbreiding voor jongvolwassenen. Maar je zult nooit alles krijgen wat je nodig hebt. Ik ben er rotsvast van overtuigd dat we anders met onze centen moeten omgaan. Residentiële opvang is zeer duur, dus we moeten vaker kijken naar de directe omgeving van jongeren: hoe kunnen zij daar geholpen worden, met maximale ondersteuning. Ik zou ervoor pleiten dat de rechtstreeks toegankelijke jeugdhulp meer middelen krijgt, want daar kunnen ze het efficiëntst worden besteed.”

Toch horen we de laatste tijd positieve geluiden vanuit het werkveld. Gaat het beter?

Vanhee: “Ik krijg inderdaad wel wat goede signalen: het nieuwe landschap wordt bekender, net als de informatica-ondersteuning. En de bijsturingen die we al hebben gemaakt, worden geapprecieerd. Er komen ook minder frontale aanvallen op het systeem en hulpverleners doen zelf suggesties, wat erop wijst dat de afstand tussen het beleid en hulpverleners verkleint. Maar ik hoed me toch voor te groot enthousiasme. Want voor veel hulpverleners blijft de werkdruk zeer hoog en voor veel jongeren is de situatie onmogelijk. We blijven dus hard timmeren aan de weg.”

Wat zijn voor u de belangrijkste uitdagingen?

Vanhee: “De grote aandacht voor jonge kinderen en pleegzorg is een evolutie die ik zeer belangrijk vind. Het is belangrijk dat we zo vroeg mogelijk ingrijpen bij problemen, het liefst in de directe context van kinderen. Dan kunnen we vaak verhinderen dat kinderen problematisch gedrag ontwikkelen, dat schoolcarrières mislukken, dat de integratie in de maatschappij op de helling komt… Minister Vandeurzen trekt expliciet die kaart, zeer terecht.”

Toch kreeg u ook af en toe kritiek: hoe gaat u daarmee om?

Vanhee: “Ik ben daar uiteraard vatbaar voor en ik heb moeten zoeken naar manieren om daarmee om te gaan. Ik wil zeker niet dat de kritiek van me afglijdt. Maar ze mag me ook niet verlammen. Het belangrijkste is om goed te luisteren naar mensen en gelaagd te reageren. Bepaalde fouten kun je veranderen. Maar sommige zaken, vaak op ethische grond, niet. Dan is het vooral belangrijk om duidelijk te maken waarom de dingen er zo voorstaan. Zelf vind ik vaak soelaas in de wetenschappelijke literatuur, ik ben ook nog verbonden aan de VUB. Dat maakt het makkelijker om bepaalde kritiek te verwerken.”

“Ik wil zeker niet dat de kritiek van me afglijdt. Maar het mag me ook niet verlammen”

U staat bekend als een zeer rustig en minzaam man. Wat is uw geheim?

Vanhee: “Zoals gezegd heb ik filosofie gestudeerd en ik zou mezelf omschrijven als een positieve rationalist. Ik ben ervan overtuigd dat veel hulpverleners het goed bedoelen en ik wil hun bedoelingen begrijpen. Op zich is kritiek ook geen probleem. Oorspronkelijk had dat woord niet zo’n negatieve betekenis. Het wilde zeggen dat we ‘een onderscheid maken’. Dat hoeft zeker niet slecht te zijn.”

U vindt dus troost in de filosofie?

Vanhee: “Ik heb al jaren de gewoonte om filosofen te bestuderen. Elke dag lees ik een aantal bladzijden in een bepaald werk. Filosofen zijn voor mij metgezellen, die me een bepaalde periode van mijn leven begeleiden. Op dit moment ben ik bijna door het oeuvre van Peter Sloterdijk heen, en ervoor was het Michel Foucault. Ik probeer te begrijpen hoe zij naar mens en wereld kijken en laat me door hen inspireren.”


Ontdek meer interviews in het overzicht
Jean Pierre Vanhee
Foto: Fabian Dejace

Samen kansen creëren; dat is het verhaal van de jeugdhulp in Vlaanderen. We geven kinderen,  jongeren en gezinnen een duwtje in de rug, zodat ze snel zelf verder kunnen. Ofwel bieden we, indien nodig, langdurige ondersteuning aan; op maat en met respect voor de keuzes van jongeren en hun ouders. We versterken op een positieve manier hun eigen krachten. Zo kan iedereen bij de start van zijn of haar leven volwaardig deelnemen, waarbij de samenleving er zelf ook op vooruit gaat.

Jongeren en hun ouders kunnen rechtstreeks aankloppen bij tal van diensten voor begeleiding en advies. Wie nood heeft aan meer intensieve ondersteuning, kan aangemeld worden bij de toegangspoort die de geschikte hulp toewijst. Loopt de hulp vast of wordt deze niet aanvaard? Dan kan een gemandateerde voorziening (Ondersteuningscentrum Jeugdzorg of Vertrouwenscentrum Kindermishandeling) de hulpverlening mee opvolgen of nieuwe hulp opstarten. Bij een onverwachte crisis staat een netwerk van diensten klaar. Als de hulpverlening moeilijk verloopt, kunnen overleg en bemiddeling een uitweg bieden.

De Vlaamse jeugdhulp verbindt delen van 6 administraties uit het welzijns- en onderwijslandschap, en geeft ruimte aan tal van partners binnen een breed netwerk van professionals. Jongeren en hun ouders maken structureel deel uit van het beleid. Jeugdhulp bereikt elk jaar een paar honderdduizend kinderen en jongeren in Vlaanderen. Meer info: www.jongerenwelzijn.be, www.vaph.be, www.kindengezin.be, www.departementwvg.be, www.zorgengezondheid.be, onderwijs en vorming.

Deze tekst wordt vervangen.