Interview met Karl Brabants

Door jonge vluchtelingen snel in een gezin te plaatsen, vermijden we nieuwe breuken

Pleegzorg Vlaanderen startte eind 2015 het project ‘Geef de wereld een thuis’, om niet-begeleide minderjarige vluchtelingen op te vangen. Voor de jongste groep (tot 13 jaar) is nu ook snelle plaatsing mogelijk: al enkele dagen na aankomst kunnen zij naar een pleeggezin. Karl Brabants coördineert het project in Oost-Vlaanderen.

Binnen Pleegzorg Oost-Vlaanderen coördineert u het project Jonge Vluchtelingen. Hoe kwam u op deze functie terecht?

Karl Brabants: “Ik werk nu iets langer dan tien jaar voor pleegzorg. De eerste jaren deed ik pleegzorgbegeleiding: ik volgde lopende pleegzorgsituaties op, ging bij de gezinnen langs, voerde gesprekken met pleegzorgers, ouders en kinderen. Eerst bij Pleegzorg in Brussel, later in Oost-Vlaanderen. In Brussel werd ik trouwens al geconfronteerd met niet-begeleide minderjarige vluchtelingen. Niet in zulke grote aantallen als vandaag, maar sporadisch. Toen werkten we al samen met Minor Ndako (een categoriale voorziening die niet-begeleide minderjarige vluchtelingen opvangt en begeleidt): als een pleegzorgsituatie moeilijk liep, moest de jongere soms naar een van hun leefgroepen verhuizen. Of omgekeerd, dan stelden zij een jongere voor die beter zou functioneren in een pleeggezin.

Na enkele jaren kreeg ik de kans om begeleidingswerk te combineren met screening en vorming van kandidaat-pleegzorgers. Nadien viel de begeleiding weg, en begon ik me te specialiseren in behandelingspleegzorg: de begeleiding van pleegzorgers en –kinderen in moeilijke omstandigheden. Eén methodiek is PVO: Pleegzorgers Vesterken in Opvoeden. Wanneer pleegkinderen ernstig probleemgedrag vertonen, proberen wij de pleegzorgers te versterken. En sinds het najaar van 2015 coördineer ik dus het project ‘Geef de wereld een thuis’, in combinatie met PVO.”

Ik vind pleegzorg een fantastisch maatschappelijk engagement: je zorgt voor het kind van iemand anders, je biedt het allerlei kansen én tegelijkertijd ondersteun je het volledige gezin van dat kind

Waarom werkt u zo graag voor Pleegzorg Oost-Vlaanderen?

Brabants: “Ik vind het een fantastisch maatschappelijk engagement: je zorgt voor het kind van iemand anders, je biedt het allerlei kansen én tegelijkertijd ondersteun je het volledige gezin van dat kind. Zij hebben het even of voor een lange tijd moeilijk, dus jij zet je schouders mee onder hun project.

Ook de screening vond ik altijd heel fijn om te doen: het is een luxe om te mogen werken met mensen die op een kantelmoment in hun leven staan en beslissen dat ze genoeg ruimte en liefde hebben om er een pleegkind bij te nemen. Als dat je job is, mensen informeren en hen op weg zetten, dan geeft dat zeer veel voldoening. En uiteraard is het ook mooi om te zien wat voor gigantische sprongen kinderen en jongeren kunnen maken, wanneer ze in een passend pleeggezin terechtkomen.”

Hebt u ook persoonlijke ervaringen met pleegzorg?

Brabants: “Ik heb zelf geen pleegkinderen. Maar ik heb wel een nieuw-samengesteld gezin, waardoor ik goed begrijp hoe het voelt om ouderschap te delen. Dat is nu eenmaal een belangrijk aspect van pleegzorg, en iets waar zeer veel ouders in onze maatschappij mee te maken krijgen.”

Krijgt u ook met moeilijke verhalen te maken?

Brabants: “Uiteraard zijn er soms ellendige situaties die me heel hard raken. Daarom vind ik het zo belangrijk om die behandelingspleegzorg te blijven doen. Ik merk dat de PVO-methodiek vaak werkt. We kunnen jongeren en pleegzorgers niet veranderen, maar de onderlinge dynamiek wél. Ik vind het vooral belangrijk om pleegzorgers hun eigen kracht te laten terugvinden, en om de onderlinge relatie nieuwe voeding te geven.”

Werkt die methodiek altijd?

Brabants: “Vaak wel. Maar helaas niet altijd. Soms is het gedrag van de jongere zo moeilijk dat we een breakdown kennen: een negatieve vroegtijdige beëindiging. Uit wetenschappelijk onderzoek van 2010 bleek dat meer dan  40 procent van de langdurige pleegzorgsituaties eindigt in breakdown. Dat is natuurlijk veel. Dat was ook de reden om te starten met het PVO-project. “

Wat zijn de belangrijkste risicofactoren?

Brabants: “Vooral het probleemgedrag van de jongeren leidt tot breakdown. Vandaar dat we extra investeren in opvoedingsondersteuning. Vaak neemt het probleemgedrag van jongeren toe met de tijd. Eerst lijkt alles prima te gaan, maar na een halfjaar of een jaar duiken toch problemen op. Zodra jongeren zich veiliger en meer gehecht voelen, willen ze hun nieuwe grenzen aftasten. Je mag niet onderschatten wat die jongeren hebben meegemaakt: gevoelens van onveiligheid, verwaarlozing, mishandeling soms. En dan één of meerdere breuken met hun thuissituatie, wat ook zeer traumatiserend is. Dat kan in een pleeggezin leiden tot leugens, diefstal, agressie… Wij gaan met de pleegzorgers op zoek naar manieren om de situatie opnieuw hanteerbaar te maken: uiteraard moeten ze efficiënt reageren op dat ontoelaatbare gedrag, maar ze moeten ook tegemoetkomen aan de emotionele behoeftes die erachter zitten.”

Bij snelle plaatsing verhuist het pleegkind in principe meteen naar het gezin. Dat vergt wat lef, maar we hebben wel een goed veiligheidskader gecreëerd

Sinds ruim anderhalf jaar hebben jullie het Project Jonge Vluchtelingen. Is die doelgroep nog complexer?

Brabants: “Ja en neen. Heel wat thema’s uit de reguliere pleegzorg komen hier terug: ouderschap delen, verlieservaringen… Daarbovenop komen de cultuurverschillen en de zware trauma’s die heel wat jonge vluchtelingen meedragen. Ze hebben vaak oorlog en geweld gezien, en ook de vlucht zelf is een bron van verlies en onzekerheid. Maar anderzijds hebben veel van die kinderen en jongeren wél een veilige basis gekend. Hun eerste levensjaren brachten ze vaak door in een veilig en hecht gezin.”

Zijn jullie voor hen op zoek naar een ander soort pleegzorgers?

Brabants: “We proberen onze screeningsprocedure zoveel mogelijk te baseren op de pijlers uit de reguliere pleegzorg. Maar we kijken toch of de specifieke skills aanwezig zijn. Vooral het cultuursensitieve is cruciaal. Dat is niet altijd makkelijk in te schatten. Er zijn mensen die zich heel goed kunnen inleven in andere culturen. Maar om dag in dag uit met iemand uit een andere cultuur samen te leven, is toch nog een ander verhaal. We kijken vooral of mensen in staat zijn tot zelfreflectie. En het klinkt misschien vreemd, maar hoe lager de verwachtingen liggen, hoe meer kans op slagen. Dat wordt trouwens bevestigd in wetenschappelijk onderzoek.”

Zijn er veel kandidaat-pleegzorgers voor deze groep?

Brabants: “Toen we eind 2015 onze oproep lanceerden, kregen we bijna 2000 reacties. Zij kregen van ons allemaal een infopakket, en nadien kwam nog ongeveer één op de drie naar onze infosessies. Daarvan schreef ongeveer 30 procent zich effectief in. Veel mensen hadden toch verkeerde verwachtingen. Ze dachten aan jonge kinderen van wie de ouders overleden zijn. Terwijl het in de realiteit vooral gaat om tienerjongens, meestal uit Afghanistan, van wie de ouders vaak nog leven en die hopen op een snelle hereniging. Bovendien verloopt zo’n pleegzorgsituatie niet altijd over rozen. Het heeft geen zin om mensen te lokken met hoeraverhalen en hen dan te zien afhaken. Dan liever een kleinere groep die erg gemotiveerd is en weet waaraan hij begint.”

Sinds enkele weken kiezen jullie ook voor snelle plaatsing. Wat houdt dat in?

Brabants: “Dat is bedoeld voor niet-begeleide minderjarige vluchtelingen tot dertien jaar. Het is de bedoeling dat zij al enkele dagen na aankomst naar een pleeggezin kunnen. We zijn ervan overtuigd dat jonge kinderen erg gebaat zijn bij zo’n gezinscontext. En bovendien willen we het aantal breuken beperken. Nu gaan die jongeren eerst naar een leefgroep – soms zelfs nog naar een tweede – waardoor ze daar al rust vinden, lotgenoten ontmoeten, vriendjes maken. Als ze dan naar een pleeggezin kunnen, ervaren we weerstand. Dat is ook logisch: ze willen niet opnieuw afscheid nemen van een veilige plek, ook al zijn ze daar nog niet lang. Daarom willen we alles zo snel mogelijk laten verlopen.”

Maar daarvoor moeten jullie wel enkele cruciale fases overslaan.

Brabants: “Er is minder tijd voor matching en kennismaking. Uiteraard zijn de pleegzorgers goed gescreend en opgeleid, maar we hebben geen tijd om het perfecte gezin te vinden voor één bepaald kind, en omgekeerd. Het kind verhuist in principe meteen naar het gezin. Dat vergt wat lef, maar we hebben wel een goed veiligheidskader gecreëerd. Daarvoor werken we intensief samen met Minor Ndako. Een van hun én een van onze begeleiders ondersteunen het pleeggezin de eerste weken zeer intensief, en er wordt na zeven en veertien dagen geëvalueerd. Bovendien biedt Minor Ndako crisispermanentie: pleegzorgers kunnen daar 24 uur op 24 en 7 dagen op 7 terecht. En de organisatie houdt de eerste maanden ook een bed vrij in een leefgroep, zodat er een veiligheidsnet is wanneer de pleegzorgsituatie toch zou mislopen.”

Wat vinden de jongeren er zelf van? Wordt hun mening gevraagd?

Brabants: “Kinderen tot dertien jaar stellen we niet voor de keuze. We leggen hen wel alles heel goed uit: we zoeken een geschikt gezin voor jou, we bereiden je goed voor… Meestal aanvaarden ze het snel. Ook al zie je dat ze zich – zelfs na een paar dagen – al een beetje verankeren in hun leefgroep. Het is vooral belangrijk dat we de jongeren zeer goed informeren, want in veel culturen is officiële pleegzorg niet bekend. Kinderen en jongeren worden wel opgevangen door een breed netwerk, maar niet door vreemden. Dat wekt bij jongeren soms argwaan: doen die mensen het niet voor het geld, zullen ze me wel goed behandelen, zullen ze zich niet opdringen als mijn ‘nieuwe ouders’? Daarom proberen we, aan de hand van filmpjes bijvoorbeeld, een zo realistisch mogelijk beeld te scheppen.”

Waar kwam het idee voor de snelle plaatsingen vandaan?

Brabants: “De inspiratie komt uit Nederland, waar stichting Nidos al sinds de jaren 80 ervaring heeft met de opvang van niet-begeleide minderjarige vluchtelingen in opvanggezinnen. Daar komen alle jongeren tot 15 jaar die alleen het land binnenkomen meteen in een ‘schakelgezin’ terecht: een soort transitplek waar de eerste administratieve rompslomp wordt geregeld. Intussen wordt druk gezocht naar een geschikt opvanggezin en na enkele dagen kan de jongere definitief verhuizen. Al is er nog één groot verschil: Nidos werkt uitsluitend met cultuurgelijke of –verwante gezinnen. Allemaal gezinnen dus met een migratieachtergrond.”

Waarom pakken jullie het anders aan?

Brabants: “We halen veel inspiratie uit het Nederlandse model, maar het is niet de bedoeling dat we copy-paste doen. Wij kiezen bewust voor de combinatie van cultuursensitieve pleegzorg (bijvoorbeeld: een Palestijns gezin dat een Palestijnse jongere opvangt) én ‘autochtone’ pleeggezinnen. Er valt voor beide opties veel te zeggen. In het eerste geval spelen de cultuurverschillen geen rol, maar in het tweede geval krijgen jongeren misschien meer kansen om te integreren: ze worden ondergedompeld in een taal- en cultuurbad. In de Angelsaksische wereld wordt ook al lang met beide modellen gewerkt en dat levert goede resultaten op.”

Na de oproep voor ‘Geef de wereld een thuis’ zagen we massale interesse, maar bijna tegelijkertijd kwamen er ook zeer veel geïnteresseerden voor reguliere pleegzorg bij

Hoeveel jongeren hebben nu al zo’n snelle plaatsing gekregen?

Brabants: “Op dit moment zijn dat er twee, allebei in Oost-Vlaanderen, er zijn nog twee gezinnen beschikbaar en drie in opleiding. Het blijft dus een kleine groep, maar ‘gelukkig’ zijn er ook niet zoveel jonge kinderen die alleen in ons land aankomen. Vorig jaar waren dat er een twintigtal. We zullen dus nog wel extra pleeggezinnen nodig hebben. Door positieve, maar realistische verhalen te verspreiden, proberen we mensen warm te maken. En we proberen ook binnen de verschillende cultuurgemeenschappen in ons land mensen te bereiken, door bijvoorbeeld met imams te praten. De afgelopen jaren hebben we ook bewust medewerkers van allochtone origine aangeworven en we blijven daar verder op inzetten.”

Sommige mensen vrezen dat kinderen die op een wachtlijst staan voor reguliere pleegzorg, nu langer zullen moeten wachten. Realistisch?

Brabants: “Nee, integendeel. De doelgroepen van pleegzorgers zijn heel verschillend. Na de oproep voor ‘Geef de wereld een thuis’ zagen we massale interesse, maar bijna tegelijkertijd kwamen er ook zeer veel geïnteresseerden voor reguliere pleegzorg bij. Bovendien zijn veel mensen die verkeerde verwachtingen hadden, doorgestroomd naar de reguliere pleegzorg. Het is dus een win-win-situatie.”

En toch blijft de drempel groot. Hoe komt dat?

Brabants: “Het blijft een groot engagement. Dat geldt voor pleegzorg in het algemeen. En als het over niet-begeleide minderjarige vluchtelingen gaat, spelen er nog extra twijfels. Het zijn vaak tienerjongens met een moslimachtergrond. Dat maakt potentiële kandidaten soms bang: welk effect zal dat hebben op de meisjes in hun gezin? Zal de pleegmoeder wel genoeg gezag hebben? Ik vrees dat de maatschappelijke teneur meespeelt: er wordt veel angst gecreëerd tegenover mensen met een migratieachtergrond. Terwijl wij zoveel mooie dingen zien gebeuren, als mensen van verschillende etnisch-culturele achtergronden samenleven.”

Denkt u dat het nieuwe statuut voor pleegzorgers een positief effect kan hebben?

Brabants: “Ik vermoed van wel, al zie je zulke effecten nooit meteen. Bovendien denk ik dat een uitbreiding van het pleegzorgverlof nog meer zou opleveren: nu krijgen pleegzorgers maar zes dagen, die ze bovendien onderling moeten verdelen. Dat zou een stuk meer moeten zijn. Maar gelukkig merken we dat het aantal pleegzorgers stijgt. Sinds pleegzorg de eerste optie is bij de uithuisplaatsing van jonge kinderen, krijgen we een stuk meer aanmeldingen. En gelukkig volgt het aanbod. Laat ons hopen dat het alleen nog maar toeneemt.”


Ontdek meer interviews in het overzicht
Project ‘Geef de wereld een thuis’

Samen kansen creëren; dat is het verhaal van de jeugdhulp in Vlaanderen. We geven kinderen,  jongeren en gezinnen een duwtje in de rug, zodat ze snel zelf verder kunnen. Ofwel bieden we, indien nodig, langdurige ondersteuning aan; op maat en met respect voor de keuzes van jongeren en hun ouders. We versterken op een positieve manier hun eigen krachten. Zo kan iedereen bij de start van zijn of haar leven volwaardig deelnemen, waarbij de samenleving er zelf ook op vooruit gaat.

Jongeren en hun ouders kunnen rechtstreeks aankloppen bij tal van diensten voor begeleiding en advies. Wie nood heeft aan meer intensieve ondersteuning, kan aangemeld worden bij de toegangspoort die de geschikte hulp toewijst. Loopt de hulp vast of wordt deze niet aanvaard? Dan kan een gemandateerde voorziening (Ondersteuningscentrum Jeugdzorg of Vertrouwenscentrum Kindermishandeling) de hulpverlening mee opvolgen of nieuwe hulp opstarten. Bij een onverwachte crisis staat een netwerk van diensten klaar. Als de hulpverlening moeilijk verloopt, kunnen overleg en bemiddeling een uitweg bieden.

De Vlaamse jeugdhulp verbindt delen van 6 administraties uit het welzijns- en onderwijslandschap, en geeft ruimte aan tal van partners binnen een breed netwerk van professionals. Jongeren en hun ouders maken structureel deel uit van het beleid. Jeugdhulp bereikt elk jaar een paar honderdduizend kinderen en jongeren in Vlaanderen. Meer info: www.jongerenwelzijn.be, www.vaph.be, www.kindengezin.be, www.departementwvg.be, www.zorgengezondheid.be, onderwijs en vorming.

Deze tekst wordt vervangen.