Evelyn Huys, directrice CKG Brugge:

Wij zijn al jarenlang een draaischijf binnen de jeugdhulp

De tientallen Centra voor Kinderzorg en Gezinsondersteuning (CKG) in Vlaanderen bevinden zich in een opmerkelijke positie: ze bieden preventieve hulp, maar ook langdurige residentiële opvang. En dat is nu net hun grote kracht, vindt Evelyn Huys, directrice van CKG Sint-Clara in Brugge.

Je bent hier nu twaalf jaar directeur, na een ietwat afwijkend traject. Hoe kwam je bij CKG Sint-Clara terecht?

Evelyn Huys: “De meeste directeurs van CKG’s zijn orthopedagogen of psychologen. In die zin heb ik inderdaad niet het standaard parcours gevolgd. Ik ben verpleegkundige van opleiding, met een specialisatie in pediatrie en later ook management. Eerst heb ik tien jaar op de neonatologie-afdeling van een ziekenhuis gewerkt, daarna vijf jaar als hoofdverpleegkundige in een rusthuis. Toen vond ik de tijd rijp om opnieuw met kinderen te werken. Begrijp me niet verkeerd: ik heb met veel plezier in dat rusthuis gewerkt. Maar als directeur is het leuker om een sinterklaasfeest te organiseren, dan de jaarlijkse dodenherdenking.”

Hoe maak jij hier het verschil?

Huys: “De vorige directeur van Sint-Clara was een psychotherapeut. Hij stond zelf zeer dicht bij de begeleiding. Ik doe bewust geen begeleidingen, ik wil vooral een goede coach en manager zijn. Soms is het belangrijk dat ik mijn medewerkers met beide voetjes op de grond kan zetten, vanuit een praktische ingesteldheid. Maar ik probeer vooral heel eerlijk te zijn: ik kan knopen doorhakken en soms zijn die zwaar, maar ik moet er zelf achter kunnen staan. Ik communiceer ook heel open en met een dosis humor, omdat dit de spanning wat wegneemt.”

Wat doet een CKG precies?

Huys: “Wij bieden opvoedingshulp aan gezinnen met kinderen tot twaalf jaar, waar het misloopt of dreigt mis te lopen. We hebben een ruim gamma aan modules. Het grootste deel wordt ingenomen door mobiele begeleiding: we gaan bij gezinnen aan huis om hen te ondersteunen. Dat gaat van één keer per week tot zeer intensief. Voor ons Amberproject gaan we bijvoorbeeld drie keer per week langs bij kwetsbare ouders met pasgeboren baby’tjes. Daarnaast hebben we ook intensieve trainingen voor ouders, kinderen en leerkrachten. Onze ‘Stop 4-7’-training bijvoorbeeld, voor kinderen tussen 4 en 7 jaar die probleemverdrag vertonen. En we hebben ook residentiële opvang: zowel kortdurende rechtstreeks toegankelijke opvang, als langdurige opvang van kinderen via de intersectorale toegangspoort. Al is ons eerste doel toch om kinderen thuis te kunnen houden bij hun familie of hen zo snel mogelijk weer naar huis toe te leiden.”

Zijn kinderen altijd beter af bij hun eigen gezin?

Huys: “Meestal wel. De eerste hechtingsband met de ouders is cruciaal, hoe verstoord die ook is. Al moeten we in uitzonderlijke situaties ook tegen het gezin kiezen, omdat de situatie te bedreigend is. Dat is dan op dat ogenblik de minst slechte oplossing voor het kind. Daarvoor hebben we een aantal residentiële opvangplaatsen.”

“Ik zou het liefst onze volledige residentiële opvangcapaciteit sluiten. Maar de realiteit is dat de vraag steeds groter wordt, zeker voor heel jonge kindjes”

Is pleegzorg geen betere keuze?

Huys: “Minister Vandeurzen pleit ervoor om pleegzorg altijd als eerste optie te nemen voor jonge kinderen. (onder voorbehoud: link naar nota jonge kinderen) En een warm gezin is inderdaad de ideale keuze. Maar we moeten ook de realiteit onder ogen zien: er is een tekort aan pleeggezinnen. Geloof me: ik zou het liefst onze volledige residentiële opvangcapaciteit sluiten. Maar helaas wordt de vraag steeds groter, zeker voor heel jonge kindjes. En er zijn ook veel kinderen met een moeilijke context: ouders die niet openstaan voor pleegzorg, of kinderen die niet zo ‘gewild’ zijn. In onze opvang is één kindje dat hier al bijna vijf jaar woont. De laatste weken heeft hij al drie kinderen zien vertrekken, onder meer naar pleeggezinnen. Onlangs vroeg hij mij: ‘Evelyn, nu gaan we voor mij ook eens een huisje zoeken hé?’ Dat is natuurlijk schrijnend. Die jongen heeft een laag IQ, maar net te hoog om naar een MPI te gaan. We proberen al jaren een plek voor hem te vinden, maar het lukt niet. Maar we hebben hier ook een kindje gehad wiens vader in de gevangenis zat voor moord. ‘Als je mijn kind bij een pleeggezin plaatst, kom ik ze uitmoorden of geef ik iemand de opdracht om dat te doen’, vertelde hij ons rustig en zeer beredeneerd. Zulke risico’s kun je uiteraard niet nemen, ook al ontneem je dat kind dan kansen.”

Hoe komen gezinnen bij het CKG terecht?

Huys: “We zijn laagdrempelig, dus ouders kunnen zelf bij ons aankloppen. Al wordt die groep steeds kleiner. Meestal worden ouders en kinderen doorverwezen: door de regioverpleegkundige van Kind en Gezin, de sociale dienst van het ziekenhuis, de CLB’s, het CAW, de consulente van de jeugdrechtbank… In principe is ons aanbod altijd vrijwillig, zeker bij de mobiele en ambulante begeleiding. Maar bij onze residentiële opvang zien we soms ook gedwongen plaatsingen en hulpverlening.”

Welke rol hebben de CKG’s binnen jeugdhulp?

Huys: “We zijn een onderdeel van Kind en Gezin. Onze mobiele teams en trainingen werken vooral preventief, onthalend en oriënterend. Maar onze langdurige residentiële opvang is zeer intensief en weinig preventief. We leggen ons daar voornamelijk toe op de opvang van jonge kinderen. Die gaan nog niet naar school en hebben dus constante zorg nodig. En we stoppen ook heel veel energie in hechting met de kinderen, zodat ze nadien weerbaarder kunnen doorstromen.”

Heb je dan nooit het gevoel in een spagaat te zitten?

Huys: “Misschien wel, maar dat is net onze sterkte. Wij zijn al jarenlang een draaischijf binnen de jeugdhulp. Het voordeel is dat we heel vlot kunnen schakelen: soms hebben gezinnen tijdelijk nood aan intensieve begeleiding, maar kunnen ze daarna verder met wekelijkse thuisbezoeken. We zijn er voor kinderen en ouders die nog geen label hebben, waardoor alles nog mogelijk is.”

Vanuit welke filosofie werken jullie?

Huys: “De rechten van het kind staan altijd voorop. En daarnaast hechten wij veel belang aan de emotionele ontwikkeling van kinderen. Daarvoor werken we nauw samen met een psychologe, die gespecialiseerd is in hechtingstheorieën. Dat is niet altijd makkelijk: soms zien wij hier vijfjarige kinderen met de emotionele leeftijd van een baby. Ze zijn bijvoorbeeld heel angstig als je weggaat. Dan proberen wij hen ook als een baby te benaderen: veel vasthouden, troosten, koesteren. Dat was in het begin niet evident voor onze leefgroepbegeleiders. Als een baby huilt, is het logisch dat je die meteen helpt. Maar als een kind van vijf op ‘overlevingsmodus’ zit, dan is dat een moeilijker gegeven. Ik ben dus altijd op zoek naar medewerkers die goed aanvoelen wat kinderen nodig hebben.”

En hoe staan jullie tegenover de ouders?

Huys: “Tja, dat is een ander verhaal. Eclectisch, zal ik zeggen. Ik vind het moeilijk als mensen uitsluitend kiezen voor één methode: psychoanalytisch, gedragsmatig, oplossingsgericht… Er valt voor elke keuze iets te zeggen. Als je ouders een jaar lang begeleidt, ga je automatisch analyseren waarom zij op een bepaalde manier denken en reageren. En je probeert hen ook inzicht te geven in de gedachten en gedragingen van hun kind. Terwijl onze trainingen veel meer oplossingsgericht zijn: ook daar streven we vooral naar kleine succesverhalen, om ouders weer gemotiveerd te krijgen.”

Boeken jullie vaak succesverhalen?

Huys: “Helaas worden onze cliënten niet systematisch opgevolgd, zodat we daar geen cijfers op kunnen plakken. Maar ik ben ervan overtuigd dat we goed bezig zijn. Veel gezinnen die begeleiding krijgen, kunnen na een tijdje alleen verder. En er zit ook een grote evolutie in de residentiële opvang: veel van onze kinderen stromen vlot door naar hun gezin, een pleeggezin of de ‘klassieke’ jeugdzorg. Ze zijn zeker niet compleet hechtingsgestoord. Vroeger leefde het idee dat onze begeleiders zich niet te veel aan de kinderen mochten hechten, maar nu weten we dat elke hechting belangrijk is: je kunt die nadien ook overdragen. En als ik zie hoezeer de kinderen aan de rokken van onze begeleiders hangen, zit dat wel goed.”

Is er een kind dat je altijd zal bijblijven?

Huys: “Er zijn heel wat kinderen die een diepe indruk hebben nagelaten. Vooral de kinderen die hier lang verbleven, of die geregeld terugkeerden. In mijn bureau heeft lang een tekening gehangen van een 12-jarig meisje dat hier een hele tijd verbleef. Enkele jaren later stond ze hier opnieuw, als tienermoeder. Dat zou je misschien niet als een succesverhaal omschrijven, maar dankzij onze begeleiding kon haar kindje wel thuis blijven wonen.”

“Soms zien wij hier vijfjarige kinderen met de emotionele leeftijd van een baby. Dan proberen wij hen ook als een baby te benaderen: veel vasthouden, troosten, koesteren”

Ondersteunen jullie ook jonge vluchtelingen?

Huys: “Ja, steeds meer. Wij zijn natuurlijk Gent of Brussel niet, maar ook in Brugge strijken steeds meer vluchtelingen neer. Hier begeleiden we vooral gezinnen met kinderen, vaak in zeer schrijnende omstandigheden. Veel mama’s hebben zware trauma’s en staan er plots moederziel alleen voor met hun jonge kinderen. Dan spelen ook cultuurverschillen een rol: hoe kunnen ze grenzen aangeven, hoe kunnen ze alleen verder zonder partner, terwijl die laatste altijd de overhand nam in de opvoeding… Maar we merken wel dat we hen meestal goed kunnen helpen.”

Kan jij ’s avonds de knop omdraaien, of blijven de verhalen door je hoofd spoken?

Huys: “Ik neem die verhalen soms mee naar huis, maar ik zal er niet van wakkerliggen. Ik besef dat dat cru klinkt, maar in de loop der jaren heb ik geleerd om ‘een muurtje op te zetten’. Als verpleegkundige op neonatologie zag ik elk jaar vijftien à twintig kinderen sterven, en in het rusthuis was dat niet anders. Vroeger had ik wel nachtmerries: dan was ik die kindjes nog aan het reanimeren in mijn dromen. Maar met de jaren heb ik daarmee leren omgaan. Je kunt niet anders.”

Wat zijn de grootste uitdagingen voor de toekomst?

Huys: “Ik wil vooral streven naar stabiliteit. Er zijn de laatste jaren heel veel veranderingen op ons afgekomen: een nieuwe regelgeving, de evaluatie daarvan, welke aanpassingen zullen nog volgen, gaan we naar één sector jeugdhulp … Onze mensen worden stilaan veranderings-moe. Ik besef wel dat je niet kunt blijven stilstaan, maar wat rust zou niet slecht zijn.”

Tekst en foto's: Stefanie Van den Broeck


Ontdek meer interviews in het overzicht
Evelyn Huys

Samen kansen creëren; dat is het verhaal van de jeugdhulp in Vlaanderen. We geven kinderen,  jongeren en gezinnen een duwtje in de rug, zodat ze snel zelf verder kunnen. Ofwel bieden we, indien nodig, langdurige ondersteuning aan; op maat en met respect voor de keuzes van jongeren en hun ouders. We versterken op een positieve manier hun eigen krachten. Zo kan iedereen bij de start van zijn of haar leven volwaardig deelnemen, waarbij de samenleving er zelf ook op vooruit gaat.

Jongeren en hun ouders kunnen rechtstreeks aankloppen bij tal van diensten voor begeleiding en advies. Wie nood heeft aan meer intensieve ondersteuning, kan aangemeld worden bij de toegangspoort die de geschikte hulp toewijst. Loopt de hulp vast of wordt deze niet aanvaard? Dan kan een gemandateerde voorziening (Ondersteuningscentrum Jeugdzorg of Vertrouwenscentrum Kindermishandeling) de hulpverlening mee opvolgen of nieuwe hulp opstarten. Bij een onverwachte crisis staat een netwerk van diensten klaar. Als de hulpverlening moeilijk verloopt, kunnen overleg en bemiddeling een uitweg bieden.

De Vlaamse jeugdhulp verbindt delen van 6 administraties uit het welzijns- en onderwijslandschap, en geeft ruimte aan tal van partners binnen een breed netwerk van professionals. Jongeren en hun ouders maken structureel deel uit van het beleid. Jeugdhulp bereikt elk jaar een paar honderdduizend kinderen en jongeren in Vlaanderen. Meer info: www.jongerenwelzijn.be, www.vaph.be, www.kindengezin.be, www.departementwvg.be, www.zorgengezondheid.be, onderwijs en vorming.

Deze tekst wordt vervangen.