Bruno Vanobbergen

Armoede is een gedeelde verantwoordelijkheid

Op 9 februari wordt zijn boek ‘Spelen in zwarte sneeuw’ voorgesteld, dat armoede bekijkt vanuit een kinder- en mensenrechtenperspectief. Bruno Vanobbergen, al acht jaar Kinderrechtencommissaris, vertelt over wat hem drijft en wat volgens hem de grote uitdagingen voor de jeugdhulp zijn.

Sinds 2009 bent u Kinderrechtencommissaris. Hoe kwam u in die functie terecht?

Bruno Vanobbergen: “Als tiener zette ik me al graag in voor kinderen en jongeren, onder meer tijdens vakantiekampen. Dat was mijn belangrijkste motivatie om Pedagogiek te studeren. En na die studies kon ik op de universiteit blijven werken. Mijn doctoraat ging over de commercialisering van de leefwereld van kinderen. Daarna heb ik vooral onderzoek verricht naar (vermeende) risicokinderen en de vele labels die zij krijgen. Vanuit dat referentiekader – hoe kijken wij als maatschappij naar kinderen en opvoeding – wilde ik graag iets concreets en praktisch doen. Dus toen de functie van Kinderrechtencommissaris vrijkwam, heb ik gesolliciteerd.”

Deed u dat vanuit een bepaalde verontwaardiging?

Vanobbergen: “Aanvankelijk niet zozeer. Mijn drive was vooral: wat kan ik nu eigenlijk doén, met al die wetenschappelijke kennis en analyses? Maar doorheen de jaren ben ik natuurlijk vaak geconfronteerd met verhalen van kinderen, zeker via onze ombudsdienst. Daardoor komen de schrijnende situaties veel dichterbij.”

Kunt u ’s avonds de knop omdraaien?

Vanobbergen: “Natuurlijk blijven de verhalen plakken. Gelukkig lig ik er niet iedere nacht van wakker – dan zou ik niet meer slapen – maar ze drijven me wel enorm. Dat merk je ook aan mijn lezingen. In het begin waren die heel theoretisch, maar intussen zijn daar enorm veel verhalen van kinderen en jongeren ingesijpeld. Neem nu bijvoorbeeld het recente nieuws over echtscheidingen en co-ouderschap (dit zou volgens experts niet altijd de beste keuze zijn, red): als ik daarover spreek, zitten al die verhalen en ontmoetingen met jongeren in mijn achterhoofd. Dat kan niet anders.”

U bent nu 8 jaar in functie. Heeft het u veranderd?

Vanobbergen: “Ja, absoluut. Ik wil zeker niet beweren dat academische onderzoekers in een ivoren toren leven. Maar zelf werkte ik vooral vanuit een filosofisch en historisch perspectief, waardoor ik onvermijdelijk wat verder van de samenleving stond. Sinds ik Kinderrechtencommissaris ben, heb ik een veel beter zicht gekregen op wat er vandaag in onze samenleving leeft, bij kinderen en gezinnen. En ik krijg ook de kans om binnen een beleidsmatige en politieke context mee te zoeken naar oplossingen. Dat heeft mijn denken veranderd: om ideeën concreet te maken, moet ik nu leren om verschillende perspectieven te verenigen: het beleid, de academische wereld en de professionals. En de kinderen en jongeren zelf natuurlijk. Maar bovenal ben ik door en door overtuigd geraakt van de noodzaak van het kinderrechtenperspectief. Acht jaar geleden zag ik het vooral als iets theoretisch, nu besef ik dat we echt het verschil kunnen maken.”

Is de maatschappij ook al overtuigd?

Vanobbergen: “Soms wel, soms niet. Op bepaalde momenten voel ik dat het al sterk is doorgedrongen. Zo hebben veel ziekenhuizen een handvest kinderrechten, om bijvoorbeeld onderwijs te garanderen voor kinderen die langdurig ziek zijn. En ook in jeugdhulp en onderwijs krijgen kinderrechten steeds vaker een plaats, al is veel afhankelijk van school tot school en van voorziening tot voorziening. Maar ik hoop toch dat het kinderrechtenverhaal al veel bekender is dan vroeger: ik verzorg veel lezingen bij verenigingen en ouderraden, en daar is veel interesse voor.”

Wat beschouwt u – voorlopig – als uw grootste verwezenlijking?

Vanobbergen: “Dat is een heel moeilijke vraag. Er zijn zoveel verschillende zaken waar ik trots op ben. De voorbije tijd hebben we bijvoorbeeld grondig geïnvesteerd in de toegankelijkheid van onze klachtenlijn, waardoor ook maatschappelijk kwetsbare jongeren ons beter kunnen bereiken. Maar er is bijvoorbeeld ook ons dossier rond dak- en thuisloosheid bij jongeren, waarvoor veel interesse is. En het programma Generatie K op Ketnet. We hebben heel uiteenlopende taken (ombudswerk, beleidswerk en kinderrechten toegankelijk maken), maar het ene is niet belangrijker dan het andere.”

We hebben opnieuw de neiging om een beschuldigend vingertje op te steken: als kinderen falen, is het de schuld van de ouders. Terwijl het beleid net zo goed verantwoordelijk is

Deze week verschijnt uw boek over kinderarmoede. Wat mogen we daarvan verwachten?

Vanobbergen: “Ik heb het boek vooral geschreven vanuit de observatie dat het kinder- en mensenrechtenperspectief op armoede het momenteel niet makkelijk heeft. De afgelopen decennia hebben we drie belangrijke perspectieven op armoede gezien. Aanvankelijk was het liefdadigheidsdenken dominant: een heel moraliserend perspectief, waarbij vaak werd verondersteld dat ouders tekortschoten in hun opvoeding. Dat heeft geleid tot het kinder- en mensenrechtenperspectief, waarbij men begon te beseffen dat armoede niet alleen een individuele verantwoordelijkheid is, maar dat de structuren en omstandigheden een zeer belangrijke rol spelen. Als je bijvoorbeeld ziet dat er in het buitengewoon onderwijs veel meer kinderen in armoede zijn, dan betekent dat dat we structureel moeten ingrijpen. Maar de laatste jaren evolueren we meer naar een sociaal investeringsdenken. Uiteraard is het belangrijk om te investeren in kinderen, maar dat mag niet louter economisch bekeken worden. Je hoort vaak de uitspraak: als we nu niks aan het probleem doen, komen we later in de problemen. Dat is zeer dubbel. Het mensenrechtenperspectief dreigt verlaten te worden, waardoor ouders meer gestigmatiseerd worden. We hebben opnieuw de neiging om een beschuldigend vingertje op te steken: als kinderen falen, is het de schuld van de ouders. Terwijl het beleid net zo goed verantwoordelijk is.”

We moeten dus vanuit een veel breder perspectief kijken?

Vanobbergen: “Absoluut. En we moeten vooral luisteren naar ouders, kinderen en jongeren. Het is zo belangrijk dat zij mee naar oplossingen kunnen zoeken. Onlangs werd ik enorm getroffen door een doctoraat aan de UGent. De onderzoekster gaf een voorbeeld van een alleenstaande moeder met drie kinderen, die op een wachtlijst stond voor een sociale woning. Maar ze had al twee voorstellen geweigerd. Daar kon de sociale woningmaatschappij niet mee lachen: als ze nog eens zou weigeren, zou ze weer onderaan de wachtlijst belanden. Terwijl die moeder een duidelijke verklaring had: uiteraard is de huurprijs belangrijk, maar ruimte is dat ook. Met opgroeiende kinderen wilde ze niet zomaar in een klein appartementje kruipen. Dat klinkt evident, en toch zien we professionals heel vaak het probleem invullen in de mensen hun plaats.

Nog een voorbeeld. Onlangs werden we bij de ombudsdienst gecontacteerd door een alleenstaande moeder. Ze vertelde dat haar zoon enkele maanden naar een gemeenschapsinstelling moest, waardoor haar leefloon met drie- à vierhonderd euro zou dalen. Daardoor moest ze op zoek naar een nieuw appartement. We hebben dat aangekaart bij het OCMW: die moeder moet nu een nieuwe plek zoeken, maar over enkele maanden kan haar zoon terugkeren. Al denkt de jeugdrechter daar dan misschien anders over: er is te weinig ruimte, dus dat is niet geschikt voor een tiener. Het is zo belangrijk om daarover te blijven nadenken, om alle perspectieven te bekijken.”

De kinderarmoede in Vlaanderen blijft een heikel punt. Faalt ons beleid?

Vanobbergen: “Mijn boek is niet zozeer een aanklacht, maar eerder een uitnodiging om opnieuw vanuit dat kinder- en mensenrechtenperspectief te denken. Neem nu de maximumfactuur in het onderwijs: dat lijkt te werken voor het basisonderwijs. Waarom kunnen we dan geen (aangepaste) versie uitdenken voor het secundair onderwijs? Of denk aan vrije tijd: dat wordt nog heel vaak gezien als een extraatje. Maar uit recente cijfers blijkt dat een kwart van de Vlaamse gezinnen geen budget heeft voor één week vakantie per jaar. Dan ontzeg je kinderen toch heel veel kansen?”

Iets anders waar u lang voor hebt gestreden, is het decreet over extern toezicht in de gemeenschapsinstellingen. Opgelucht dat het er eindelijk komt?

Vanobbergen: “Ja, absoluut. Al wil ik toch benadrukken dat de gemeenschapsinstellingen de voorbije jaren een indrukwekkend parcours hebben afgelegd. Toen ik acht jaar geleden begon, hadden ze nog het imago van heel gesloten plekken. Nu is er veel meer openheid. Er zijn bijvoorbeeld samenwerkingen met scholen en de onderwijs- en zorginspectie gaat er langs. En binnenkort komen er dus ook commissies van toezicht. Dat is geen motie van wantrouwen, maar gewoon een extra venster dat wordt opengezet.

Het is de bedoeling dat er per instelling een maandcommissaris komt, die één keer per maand op bezoek gaat en uitgebreid praat met jongeren en personeel, om zo een vinger aan de pols te houden. Waar knelt het, hoe kun je problemen aanpakken? Dat betekent niet dat klachten over het eten op dat niveau moeten komen: binnen de instellingen is er al genoeg participatie om zulke zaken aan te kaarten. Maar een thematiek als afzondering is bijvoorbeeld wél iets wat op tafel kan komen.

Het secretariaat van de commissie van toezicht is toegewezen aan het Kinderrechtencommissariaat, dus wij krijgen er een extra opdracht bij. De maandcommissarissen zullen door ons aangeduid en gevormd worden.”

De commissies van toezicht zijn geen motie van wantrouwen tegenover de gemeenschapsinstellingen, maar gewoon extra vensters die worden opengezet

Ten slotte: wat zijn volgens u de belangrijkste uitdagingen voor de jeugdhulp?

Vanobbergen: “De belangrijkste uitdaging is dat er een sterkere band gesmeed moet worden tussen onderwijs en welzijn. Beide sectoren worstelen met ‘moeilijke’ kinderen en jongeren. Er zijn nog te veel definitieve uitsluitingen op scholen. En anderzijds vinden scholen te moeilijk de weg naar time-outprojecten. Dat leidt tot momenten van exclusie, die we ook bij de jeugdhulp zien. Wij horen vaak radeloze ouders, die van een voorziening de boodschap krijgen dat hun kind er niet terechtkan, omdat ze bijvoorbeeld niet gespecialiseerd zijn in gedragsproblemen. Er is een te grote groep kinderen en jongeren die tussen de mazen van het net valt. Welzijn en onderwijs hebben daarin een gedeelde verantwoordelijkheid.”


Ontdek meer interviews in het overzicht
Bruno Vanobbergen
Foto: Koen Broos, Tekst: Stefanie Van den Broeck

Samen kansen creëren; dat is het verhaal van de jeugdhulp in Vlaanderen. We geven kinderen,  jongeren en gezinnen een duwtje in de rug, zodat ze snel zelf verder kunnen. Ofwel bieden we, indien nodig, langdurige ondersteuning aan; op maat en met respect voor de keuzes van jongeren en hun ouders. We versterken op een positieve manier hun eigen krachten. Zo kan iedereen bij de start van zijn of haar leven volwaardig deelnemen, waarbij de samenleving er zelf ook op vooruit gaat.

Jongeren en hun ouders kunnen rechtstreeks aankloppen bij tal van diensten voor begeleiding en advies. Wie nood heeft aan meer intensieve ondersteuning, kan aangemeld worden bij de toegangspoort die de geschikte hulp toewijst. Loopt de hulp vast of wordt deze niet aanvaard? Dan kan een gemandateerde voorziening (Ondersteuningscentrum Jeugdzorg of Vertrouwenscentrum Kindermishandeling) de hulpverlening mee opvolgen of nieuwe hulp opstarten. Bij een onverwachte crisis staat een netwerk van diensten klaar. Als de hulpverlening moeilijk verloopt, kunnen overleg en bemiddeling een uitweg bieden.

De Vlaamse jeugdhulp verbindt delen van 6 administraties uit het welzijns- en onderwijslandschap, en geeft ruimte aan tal van partners binnen een breed netwerk van professionals. Jongeren en hun ouders maken structureel deel uit van het beleid. Jeugdhulp bereikt elk jaar een paar honderdduizend kinderen en jongeren in Vlaanderen. Meer info: www.jongerenwelzijn.be, www.vaph.be, www.kindengezin.be, www.departementwvg.be, www.zorgengezondheid.be, onderwijs en vorming.

Deze tekst wordt vervangen.