Afdelingshoofd Magda Massoels over de veranderingen in de gemeenschapsinstellingen

We moeten onszelf overbodig maken

Er staan heel wat veranderingen op til voor de Vlaamse gemeenschapsinstellingen. Afdelingshoofd Magda Massoels is klaar voor verandering. “We moeten evolueren naar kortere en intensieve modules, zodat jongeren sneller kunnen doorstromen naar partners én de samenleving.”

U bent sinds kort waarnemend hoofd van de afdeling Gemeenschapsinstellingen. Hoe bent u op deze stoel beland?

Magda Massoels: “Ik heb in de jaren 80 orthopedagogie gestudeerd in Leuven, en tijdens onze derde licentie – dat heette toen nog zo – mochten we een stageplaats kiezen, voor zes maanden. Samen met een vriendin heb ik er toen voor gekozen om bij de ‘zware jongens’ in Mol te gaan werken. Tijdens die stage was er een examen voor opvoeder, dus besloot ik mee te doen. Ik was geslaagd en mocht meteen beginnen. Al moest ik daarvoor wel naar Beernem, want in die tijd was er nog een sterke segregatie: vrouwelijke opvoeders mochten alleen in een meisjesinstelling werken. Uiteindelijk heb ik daar anderhalf jaar gewerkt, tot ik mama werd en de woon-werk-afstand (dagelijks van Leuven naar Beernem) te groot werd.”

Wat voor herinneringen koestert u aan die periode?

Massoels: “Heel mooie. Bij veel mensen leefde toen het beeld dat zo’n gesloten instelling een soort ‘vuilnisbak’ of eindportaal voor onhandelbare jongeren is. Maar ik heb toen zelf ervaren dat het werk heel veel voldoening kon geven. Al was de werksituatie toen wel helemaal anders dan nu: als opvoeder was je alleen verantwoordelijk voor twaalf of veertien jongeren, er was amper overleg tussen collega’s. Het dagelijks leven leek een beetje op dat van een internaat uit de jaren 50, met veel strenge regels. Als pedagoog wilde ik natuurlijk veel veranderen, ik zat vol plannen en ideeën. En ik mocht wel wat experimenteren: teambesprekingen, observaties, een handelingsplan… Maar dat bleef beperkt.”

In 2007 trok u opnieuw naar die “eerste liefde” Mol, maar dan als directeur.

Massoels: “Ja, al gingen er nog wat zijwegen aan vooraf. Toen ik na een jaar vertrok uit Beernem,  kwam ik als hoofdbegeleidster in de  bijzondere jeugdzorg terecht. Daar had ik soms bijna heimwee naar de rust en structuur van een gesloten instelling. Maar ik ben blij dat ik de twee kanten heb gezien. Daarna werkte ik de volgende twintig jaar binnen de voorlopers van de huidige CAW’s: een vluchthuis voor mishandelde vrouwen, de thuislozenzorg, een bezoekruimte ... Maar in 2006 zag ik dus die vacature in de krant: de gemeenschapsinstelling in Mol zocht een nieuwe directeur. Ik was in die periode wel toe aan een nieuwe uitdaging, dus ik besloot mijn kans te wagen. Het leek me echt iets om mijn tanden in te zetten. En ja hoor, in 2007 mocht ik beginnen. Vijfentwintig jaar later…”

Was er in die jaren veel veranderd?

Massoels: “Absoluut. Vroeger waren de gesloten instellingen een federale materie, ze vielen onder Justitie. Dat waren allemaal aparte eilanden, elk met hun eigen directie. Terwijl ze nu onder Welzijn vallen, en er veel meer samenwerking is. Alles wat ik destijds wilde veranderen, was ondertussen natuurlijk al in beweging. Men was volop bezig om de instellingen naar de 21e eeuw te loodsen. Toen ik startte, had de afdeling net een eerste draft van onze differentiatienota geschreven, waar ik me helemaal in kon vinden. Dat is voor mij altijd een leidraad geweest.”

Vorig jaar verhuisde u zelf naar het hoofdbestuur,  als afdelingshoofd. Wat wil u hier verwezenlijken?

Massoels: “We moeten ons verder blijven afvragen wat de beste aanpak is voor onze jongeren. Onze programma’s baseren op werkbare kaders en de rol en de positie van een gesloten gemeenschapsinstelling duidelijk positioneren IN het werkveld, niet erbuiten. Het nieuwe decreet over het jeugdsanctierecht kan ons hierbij helpen, al hoop ik dat onze rol zo klein mogelijk zal zijn. De gemeenschapsinstellingen moeten altijd de laatste keuze blijven.”

“Om samen met onze  partners duidelijk te maken waar we voor staan – en dat we dus zeker niet meer dat “eindstation” van vroeger zijn – organiseren we op 2 mei onze studiedag. Minister Vandeurzen opent de dag met zijn eigen inzichten. Daarna krijgen we een interessante voorstelling van het MultifunC- model door de Noor Tore Andreassen.”

Het is belangrijk dat we vroeg in een traject al op zoek gaan naar partners die verder kunnen met onze jongeren, zodat ze tijdig kunnen uitstromen

Is Noorwegen een gidsland?

Massoels: “Noorwegen heeft olie. Dat lijkt een vreemd antwoord, maar dankzij die olie heeft dat land ook veel geld. En in 2002 besloot hun regering om – met veel middelen – een onderzoek te voeren hoe je als overheid moet omgaan met jongeren die feiten hebben gepleegd. Hoe je hen op de meest effectieve manier weer laat integreren in de samenleving. Hun grondige studie was grotendeels gebaseerd op het Canadese RNR-model (Risk, Need & Responsitivity) van Andrews & Bonta, dat gebaseerd is op what works principes. Op basis daarvan is het programma MultifunC uitgewerkt, dat ze vervolgens in hun instellingen implementeerden. Nadien hebben ze die jongeren tien jaar lang opgevolgd, en zijn de resultaten dus ook al bekend. Die zijn overigens best goed. “

“Deze grondige aanpak heeft ons een schat aan informatie geleverd over wat werkt én hoe je dit in een gesloten instelling best organiseert. En het mooie is dat onze differentiatienota zelf ook al gebaseerd is op datzelfde model. We hebben dat aangevuld met het Good Lives Model van Ward, dat veel oog heeft voor de participatie van de jongere. “

Er is tijdens de studiedag ook veel aandacht voor samenwerking met private partners.

Massoels: “De gemeenschapsinstellingen zijn veel te lang eilandjes geweest. In de  afgelopen jaren hebben we heel veel geïnvesteerd in contacten met partners die een traject wilden gaan met onze jongeren. Niet alleen binnen de klassieke jeugdzorg, maar ook bij het VAPH en psychiatrie. Gelukkig kwamen er vanuit het beleid ook belangrijke impulsen die hierbij aansloten: voorzieningen die investeren in de uitstroom van gemeenschapsinstellingen, kregen extra middelen.  Het is belangrijk dat we vroeg in een traject al op zoek gaan naar partners die verder kunnen met onze jongeren, zodat ze tijdig kunnen uitstromen. We moeten ons altijd de vraag blijven stellen of geslotenheid nodig is, en voor hoe lang. Want je mag zo’n maatregel nooit onderschatten: een sleutel op de deur, altijd toezicht, weinig of geen spontaan contact met de buitenwereld, geen gsm of computer… Dat creëert breuken in het leven van de jongeren, die  nadien weer moeten hersteld worden.”

Kinderrechtencommissaris Bruno Vanobbergen geeft op de studiedag ook een workshop. Hoe terecht is zijn bezorgdheid?

Massoels: “Zeker terecht. Zoals ik daarnet zei, blijft een verblijf in een gemeenschapsinstelling een zeer zware maatregel, dus daar moet je heel zorgvuldig mee omspringen. Daarom is het externe toezicht, met een systeem van maandcommissarissen, een goede zaak. Niet om onze opvoeders voortdurend op de vingers te tikken, maar wel om mee te denken hoe we onze werking kunnen verbeteren. Aan zo’n buitenstaander kan een jongere soms ook makkelijker zeggen wat er scheelt, dan aan de begeleiders van de instelling.

Wij beseffen zeker dat er nog werkpunten zijn, zoals bv. een verbetering van de inspraak van een jongere en zijn context in de regels en afspraken tijdens zijn verblijf. Ook het gebruik van dwangmaatregelen is een voortdurende zorg van iedereen. Liefst zo weinig mogelijk, want dit is ingrijpend, zowel voor de jongere als voor de begeleiders. Maar in een groep pubers kan het soms stuiven, ook in een gesloten leefgroep. Logisch ook dat het dan moeilijk is om te blijven focussen op inspraak en betrokkenheid. Daar moet je als team, als collega’s dan elkaar zeer bewust in ondersteunen. En zo blijft het perspectief van de kinderrechten dan ook op de voorgrond, we blijven daar  bewust mee bezig.

Intussen is het bijvoorbeeld wel al vanzelfsprekend dat we tijdens een traject steeds meer luisteren naar de inbreng van jongeren en hun ouders. We gaan regelmatig samen aan tafel zitten en daar worden dan de belangrijke beslissingen genomen. Uiteraard kan een jongere niet zomaar beslissen dat hij naar huis wil. Maar er ontstaat wel zeer veel kracht, wanneer je aan die jongere zelf vraagt wat er is misgelopen en wat hij graag wil bereiken.”

Ook een groep psychiaters trok onlangs aan de alarmbel. Horen jongeren met psychische problemen of een mentale beperking wel thuis in een gemeenschapsinstelling?

Massoels: “Ja, soms wel. Ook die jongeren stellen soms gedrag waarvoor geslotenheid nodig is. En dan vind ik dat dit ook in een gemeenschapsinstelling kan. Wij organiseren immers de zwaarste vorm van geslotenheid en gedwongen hulpverlening voor minderjarigen, zonder exclusiecriteria of opname-voorwaarden. Maar de psychiatrie moet ook haar verantwoordelijkheid nemen. Wanneer een zorgtraject voor deze jongeren uitgezet wordt, moeten ze hun deel van het werk doen. En dat betekent soms hen residentieel overnemen. Of mobiel werken, bij ons en  nadien bij de vervolghulp.  Maar ik snap de opmerking wel, omdat die jongeren toch nog te vaak  te lang bij ons moeten blijven. We vinden soms nauwelijks partners die bereid zijn om hen over te nemen. Dus blijven ze te lang, soms jarenlang, in de gemeenschapsinstellingen. Gelukkig is dit in de laatste jaren meer uitzondering dan regel. Want wie dan op zijn 18 jaar gewoon naar buiten stapt, loopt verloren.”

“In de toekomst is er zeker nog plaats voor deze jongeren met vaak een multicomplexe problematiek. Om met hen op maat te kunnen werken, moesten we allereerst de leef- en leerwereld binnen onze instellingen aanpassen. Daarvoor investeren we in gespecialiseerde units: per campus één leefgroep speciaal voor deze kwetsbare jongeren, waar we op hun ritme kunnen werken.”

Wat maakt die units zo specifiek?

Massoels: “Uitgangspunt in onze aanpak zijn  de mogelijkheden en onmogelijkheden van onze jongeren. We ontdekten methodieken die ons daarin helpen, zo werken we er nu bv. op basis van SEO, het sociaal-emotionele ontwikkelingsmodel van Dosen.  Hier kijken we veel meer naar de mogelijkheden van de jongere, zijn niveau van zelfstandigheid, van sociale vaardigheden. Dat kan soms heel laag zijn, als een peuter of een baby.  Als je dat beseft, begrijp je als begeleider ook beter waarom bepaalde dingen maar niet lukken. We kunnen hiermee ook veel beter afstemmen met het Vlaams Agentschap voor Personen met een Handicap (VAPH), waar deze jongeren vaak later terecht komen. Best met kleine stapjes, veel inoefenen en heen- en weer elkaar leren kennen. Voor zo’n jongere, die zich bij ons ‘nestelt’, is het immers een heel grote stap om naar een nieuwe voorziening te vertrekken.”

En heel wat voorzieningen staan ook niet te springen?

Massoels: “Helaas niet altijd. Maar we hebben ondertussen al veel betere contacten. En er is heel wat overleg om te kijken wat de jongere, én de instelling nodig hebben om samen een traject aan te vatten. Vaak is er angst voor agressief of grensoverschrijdend gedrag,  wat begrijpelijk is. Dus kijken we van bij de start naar mogelijke risico’s en die pakken we gericht aan. En eenmaal die jongeren zijn doorgestroomd, blijven wij hen opvolgen. We hebben hier ook altijd een ‘terugvalbed’, zodat een time-out mogelijk is.”

Hebt u eigenlijk nog veel contact met de jongeren zelf?

Massoels: “Ik probeer een vinger aan de pols te houden. Toen ik nog directeur was in Mol, was er natuurlijk meer contact. Wanneer ik op bezoek ging bij externe partners, zaten onze grootste  ‘zorgenkindjes’ altijd in mijn achterhoofd om over hen te vertellen of om voor een toekomst voor hen te pleiten. En wanneer de boel escaleerde in een leefgroep, bleef je in de buurt om bij te springen wanneer nodig. Dan kun je als directeur niet gewoon naar huis vertrekken: je blijft tot het opgelost is en iedereen een kop koffie heeft gedronken. Want de opvoeders staan natuurlijk elke dag in de groep en hebben zowel de beste als de ergste ervaringen met onze jongeren.

Is de taak van begeleiders soms niet té zwaar?

Massoels: “Ze hebben inderdaad een duizendpoten-opdracht. Ze moeten voortdurend investeren in relaties met jongeren die in het verleden al hebben bewezen dat ze zulke relaties kunnen doen ‘opbranden’. En toch mogen ze hen nooit loslaten. Het is een constant evenwicht tussen afstand en nabijheid. Dat blijft een zoektocht. De job vraagt structuur én positieve betrokkenheid. Het risico bestaat dat opvoeders soms te  vast  houden aan hun structuur, waardoor ze dan  de jongere te weinig in zijn kracht zetten. Omgekeerd kan er veel oog zijn voor het individuele verhaal, maar ontstaat er chaos in de groep. Het is een kunst om die twee te combineren. Als directie ga je met je teams aan de slag om dat evenwicht te bewaren: intervisie, vorming en multidisciplinair samenwerken helpen daarbij. “

Nog even terug naar de vernieuwingen: er komen nieuwe plaatsen voor meisjes in Mol.

Massoels: “De meisjes moesten decennialang allemaal naar Beernem. Wat voor meisjes en hun familie die pakweg in Hasselt wonen, zeer moeilijk is. In  2008 kwamen er 10 meisjesplaatsen in Mol, waar we onze eerste module time out voor organiseerden. Dat was een groot succes bij voorzieningen uit de regio die met meisjes werkten en op die manier ondersteuning kregen in hun hulpverlening. Een aparte meisjescampus in Mol is geen verhaal van morgen of overmorgen. Dus gaan we schuiven met plaatsen en worden er meisjesplaatsen afgebouwd in De Zande en aangevuld in Mol.”

Je mag nooit vergeten dat jongeren in een gemeenschapsinstelling echt niet verschillen van de jongeren hierbuiten. Ze hebben dezelfde dromen.  Ze willen een lief, een job, kinderen, een goed leven. Maar ze pakken dat soms verkeerd aan. Door samen te werken aan hun toekomst, kun je veel bereiken

Maar er is toch dringend nood aan extra gesloten plaatsen?

Massoels: “Daar ben ik niet van overtuigd. Ik geloof dat we goed moeten onderzoeken hoe lang gesloten opvang zinvol is en of we niet sneller kunnen laten uitstromen naar een minder ingrijpend traject. Als we bv. de verblijfsduur van alle jongeren in een gemeenschapsinstelling zouden kunnen halveren, zou dat in één klap op jaarbasis het dubbel aantal plaatsen betekenen. Dat is natuurlijk een te simpele rekensom, maar het is wel de manier waarop we moeten denken. Ons doel is onszelf overbodig maken. Om een situatie te creëren die geen muren meer nodig heeft om de hulpverlening te doen slagen.

Kortere verblijven: is dat echt realistisch?

Massoels: “Absoluut. Daarom willen we in de toekomst resoluut voor een oriëntatie-module kiezen. Dat ligt nu op tafel. Dat wil zeggen dat een plaatsing in een gemeenschapsinstelling altijd zou starten met een oriënterend assessment: is deze geslotenheid nodig of zijn er betere trajecten. Daarvoor moeten we dan durven kiezen en inzetten op private partners die de hulpverlening overnemen. En partners die herstelgerichte maatregelen ondersteunen. Is het risico voor zichzelf of voor de samenleving echt reëel, dan tekenen we een traject uit binnen de muren van de gemeenschapsinstelling. We leggen dit advies dan voor aan de jeugdrechter. Die beslist natuurlijk.”

Hoe beslis je wat de beste termijn is?

Massoels: “Dat heeft vooral met responsiviteit te maken, de tweede R uit dat Canadese RNR-model. Vaak lopen alle goede bedoelingen en interventies vast omdat ze niet aankomen bij een jongere. Dat kan te maken hebben met de persoonlijkheid van de jongere,  een mentale achterstand, psychische problemen of de sociale context. Dan kan een lang verblijf nodig zijn, om echt door te dringen. Maar als er nog een stevige basis is, kan een jongere na drie maanden ook opnieuw een goede start maken.”

Denkt u dat de gemeenschapsinstellingen ooit overbodig worden?

Massoels: “Dat is natuurlijk een mooie droom, maar ik vrees ervoor. Er zullen altijd jongeren zijn die over de schreef gaan. Maar in tegenstelling tot wat velen denken, zijn de problemen met jongeren de afgelopen 25 jaar niet toegenomen. Toch voelen wij dat rechters vaker geslotenheid vragen. Ik vermoed dat dat veel met de tijdsgeest te maken heeft: we accepteren niet meer dat jongeren mislukken. En we willen alle risico’s uitschakelen. Als zo’n jongere in de fout gaat, willen we hem onder toezicht, zodat hij geen gevaar meer vormt. We moeten durven te investeren in mankracht en expertise. Om echt tijd te maken voor die jongeren, om te luisteren naar wat zij nodig hebben. Je mag nooit vergeten dat jongeren in een gemeenschapsinstelling echt niet verschillen van de jongeren hierbuiten. Ze hebben dezelfde dromen.  Ze willen een lief, een job, kinderen, een goed leven. Maar ze pakken dat soms verkeerd aan. Door samen te werken aan hun toekomst, kun je veel bereiken.”


Ontdek meer interviews in het overzicht
Magda Massoels
Bron foto: Belga

Samen kansen creëren; dat is het verhaal van de jeugdhulp in Vlaanderen. We geven kinderen,  jongeren en gezinnen een duwtje in de rug, zodat ze snel zelf verder kunnen. Ofwel bieden we, indien nodig, langdurige ondersteuning aan; op maat en met respect voor de keuzes van jongeren en hun ouders. We versterken op een positieve manier hun eigen krachten. Zo kan iedereen bij de start van zijn of haar leven volwaardig deelnemen, waarbij de samenleving er zelf ook op vooruit gaat.

Jongeren en hun ouders kunnen rechtstreeks aankloppen bij tal van diensten voor begeleiding en advies. Wie nood heeft aan meer intensieve ondersteuning, kan aangemeld worden bij de toegangspoort die de geschikte hulp toewijst. Loopt de hulp vast of wordt deze niet aanvaard? Dan kan een gemandateerde voorziening (Ondersteuningscentrum Jeugdzorg of Vertrouwenscentrum Kindermishandeling) de hulpverlening mee opvolgen of nieuwe hulp opstarten. Bij een onverwachte crisis staat een netwerk van diensten klaar. Als de hulpverlening moeilijk verloopt, kunnen overleg en bemiddeling een uitweg bieden.

De Vlaamse jeugdhulp verbindt delen van 6 administraties uit het welzijns- en onderwijslandschap, en geeft ruimte aan tal van partners binnen een breed netwerk van professionals. Jongeren en hun ouders maken structureel deel uit van het beleid. Jeugdhulp bereikt elk jaar een paar honderdduizend kinderen en jongeren in Vlaanderen. Meer info: www.jongerenwelzijn.be, www.vaph.be, www.kindengezin.be, www.departementwvg.be, www.zorgengezondheid.be, onderwijs en vorming.

Deze tekst wordt vervangen.